Gesuchter Begriff voorstellen hat 19 Ergebnisse
NL Niederländisch DE Deutsch
voorstellen (v) [plan]
  • voorgesteld
  • stelt voor
  • stellen voor
  • stelde voor
  • stelden voor
vorbringen (v) [plan]
  • vorgebracht
  • bringst vor
  • bringen vor
  • brachten vor
  • brachtest vor
  • bring(e) vor
voorstellen (v) [symbool]
  • voorgesteld
  • stelt voor
  • stellen voor
  • stelde voor
  • stelden voor
symbolisieren (v) [symbool]
  • symbolisiert
  • symbolisieren
  • symbolisierst
  • symbolisiertest
  • symbolisierten
  • symbolisiere
voorstellen (n v) [to propose for consideration]
  • voorgesteld
  • stelt voor
  • stellen voor
  • stelde voor
  • stelden voor
begeben (n v) [to propose for consideration] (sich)
  • begeben
  • begeben
  • begibst
  • begabst
  • begaben
  • begib
voorstellen (v) [voorstel]
  • voorgesteld
  • stelt voor
  • stellen voor
  • stelde voor
  • stelden voor
vorschlagen (v) [voorstel]
  • vorgeschlagen
  • schlägst vor
  • schlagen vor
  • schlugen vor
  • schlugst vor
  • schlag(e) vor
voorstellen (v) [to ask for without demanding]
  • voorgesteld
  • stelt voor
  • stellen voor
  • stelde voor
  • stelden voor
vorschlagen (v) [to ask for without demanding]
  • vorgeschlagen
  • schlägst vor
  • schlagen vor
  • schlugen vor
  • schlugst vor
  • schlag(e) vor
NL Niederländisch DE Deutsch
voorstellen (v) [theorie]
  • voorgesteld
  • stelt voor
  • stellen voor
  • stelde voor
  • stelden voor
vorschlagen (v) [theorie]
  • vorgeschlagen
  • schlägst vor
  • schlagen vor
  • schlugen vor
  • schlugst vor
  • schlag(e) vor
voorstellen (v)
  • voorgesteld
  • stelt voor
  • stellen voor
  • stelde voor
  • stelden voor
vorschlagen (v)
  • vorgeschlagen
  • schlägst vor
  • schlagen vor
  • schlugen vor
  • schlugst vor
  • schlag(e) vor
voorstellen (v) [theorie]
  • voorgesteld
  • stelt voor
  • stellen voor
  • stelde voor
  • stelden voor
vorlegen (v) [theorie]
  • vorgelegt
  • legen vor
  • legst vor
  • legtest vor
  • legten vor
  • leg(e) vor
voorstellen (v) [symbool]
  • voorgesteld
  • stelt voor
  • stellen voor
  • stelde voor
  • stelden voor
darstellen (v) [symbool]
  • dargestellt
  • stellen dar
  • stellst dar
  • stellten dar
  • stelltest dar
  • stell(e) dar
voorstellen (v) [kunst]
  • voorgesteld
  • stelt voor
  • stellen voor
  • stelde voor
  • stelden voor
darstellen (v) [kunst]
  • dargestellt
  • stellen dar
  • stellst dar
  • stellten dar
  • stelltest dar
  • stell(e) dar
voorstellen (v) [karakteriseren]
  • voorgesteld
  • stelt voor
  • stellen voor
  • stelde voor
  • stelden voor
ausmalen (v) [karakteriseren]
  • ausgemalt
  • malst aus
  • malen aus
  • maltest aus
  • malten aus
  • mal(e) aus
voorstellen (v) [theorie]
  • voorgesteld
  • stelt voor
  • stellen voor
  • stelde voor
  • stelden voor
vortragen (v) [theorie]
  • vorgetragen
  • tragen vor
  • trägst vor
  • trugst vor
  • trugen vor
  • trag(e) vor
voorstellen (v) [plan]
  • voorgesteld
  • stelt voor
  • stellen voor
  • stelde voor
  • stelden voor
vortragen (v) [plan]
  • vorgetragen
  • tragen vor
  • trägst vor
  • trugst vor
  • trugen vor
  • trag(e) vor
voorstellen (v) [plan]
  • voorgesteld
  • stelt voor
  • stellen voor
  • stelde voor
  • stelden voor
vorstellen (v) [plan] (sich)
  • vorgestellt
  • stellst vor
  • stellen vor
  • stelltest vor
  • stellten vor
  • stell(e) vor
voorstellen (v) [persoon]
  • voorgesteld
  • stelt voor
  • stellen voor
  • stelde voor
  • stelden voor
vorstellen (v) [persoon] (sich)
  • vorgestellt
  • stellst vor
  • stellen vor
  • stelltest vor
  • stellten vor
  • stell(e) vor
voorstellen (v) [karakteriseren]
  • voorgesteld
  • stelt voor
  • stellen voor
  • stelde voor
  • stelden voor
schildern (v) [karakteriseren]
  • geschildert
  • schilderst
  • schildern
  • schildertest
  • schilderten
  • schild(e)re
voorstellen (v) [karakteriseren]
  • voorgesteld
  • stelt voor
  • stellen voor
  • stelde voor
  • stelden voor
kennzeichnen (v) [karakteriseren]
  • gekennzeichnet
  • kennzeichnest
  • kennzeichnen
  • kennzeichnetest
  • kennzeichneten
  • kennzeichne
voorstellen (v) [karakteriseren]
  • voorgesteld
  • stelt voor
  • stellen voor
  • stelde voor
  • stelden voor
charakterisieren (v) [karakteriseren]
  • charakterisiert
  • charakterisierst
  • charakterisieren
  • charakterisiertest
  • charakterisierten
  • charakterisiere
voorstellen (v) [karakteriseren]
  • voorgesteld
  • stelt voor
  • stellen voor
  • stelde voor
  • stelden voor
beschreiben (v) [karakteriseren]
  • beschrieben
  • beschreibst
  • beschreiben
  • beschriebst
  • beschrieben
  • beschreib(e)

Niederländisch Deutsch Übersetzungen