vermeiden (Verb)

1

ontwijken (v)

umgehen
2

omzeilen (v)

umgehen
3

schuwen (v)

meiden
4

mijden (v)

meiden
  • zu vermeiden
  • te vermijden
  • vermeiden und
  • het vermijden van
5

vermijden (v)

umgehen, meiden, Unfall
Gefahr
Schwierigkeit
umgehen, meiden
9

helpen (v)

allgemein
10

voorkomen (v)

Unfall
  • Ablaufwasser vermeiden
  • Lozing voorkomen
  • Hautkontakt vermeiden
  • Huidcontact voorkomen
  • zu vermeiden.
  • te voorkomen.

Satzbeispiele & Übersetzungen

Dies ist zu vermeiden.
Deze praktijk moet worden vermeden.
vermeiden bzw. zu verringern.
een beperking van het maximale gehalte aan VOS.
, Interessenkonflikte vermeiden
of van belangenconflicten
zu vermeiden.
wordt voorkomen.
zu vermeiden.
het Verdrag.
Sie soll Doppelermittlungen vermeiden.
Lidstaten die hier niet aan voldoen, moeten vervolgd worden.
um Wettbewerbsverzerrungen zu vermeiden
verstoringen van de mededinging te