toen (Nomen | Verb)

1

dann (n)

tijd, soon afterward, at that time
2
tijd
3
tijd
4

damals (o)

tijd, at that time
5

früher (o)

tijd
6

deswegen (v)

7

danach (adv adj n)

soon afterward
8

anschließend (adv adj n)

soon afterward
9

einstmals (o)

tijd
10

einst (o)

tijd