essen(Verb)

1

eten(v)

bestimmt,Essen,Körper,Tiere,allgemein,fest,consume
  • Gelegentliche Einladungen an Freunde zum Spielen und Essen
  • Van tijd tot tijd vrienden uitnodigen om te komen spelen en mee te eten
  • Gelegentliche Einladungen an Freunde zum Spielen oder Essen
  • Van tijd tot tijd vrienden uitnodigen om te komen spelen of mee te eten
  • Einige essen Erde und Gras, andere Insekten.
  • Sommige kinderen eten aarde en gras, sommige insecten.
Essen
Tiere,consume

Satzbeispiele & Übersetzungen

allein essen?
Eet het alleen?
Auf dem Weg zum Essen oder vom Essen
Op het traject tussen werkplaats en bedrijfsrestaurant, bedrijfskantine of soortgelijke plaats
ThyssenKrupp MinEnergy GmbH, Essen, Deutschland;
ThyssenKrupp MinEnergy GmbH, Essen, Duitsland
Evonik Degussa GmbH, Essen, Deutschland
Evonik Degussa GmbH, Essen, Duitsland
Trimet Aluminium AG, Essen, Deutschland,
Trimet Aluminium AG, Essen, Duitsland
Ohne Essen kann man nicht arbeiten
Natje en droogje in het Parlement
Ansonsten essen wir zu Hause vegetarisch.
Wel zijn we allen thuis vegetarisch.