Niederländisch: Wörter von AFFIRMATIEF bis AFHARKEN

affirmatief affirmeren affix
affluiten affronteren affutselen
afgaan afgebeuld afgebroken
afgebrokkeld afgedankt worden afgedragen
afgedwongen afgekant afgelasten
afgelasting afgelegen afgelegen plaats
afgeleid van afgeleide functie afgemaakt met
afgemat afgematheid afgemeten
afgepeigerd afgeranseld afgeren
afgericht afgerond afgeroomde melk
afgeschaafde plek afgeschrevene afgeschuind
afgesloten gedeelte afgespiegeld worden afgesproken
afgestudeerde afgetobd afgevaardigde
afgeven afgeven op afgewezen worden
afgezaagd afgezant afgezante
afgezien van afgezonderd Afghaan
Afghaans Afghaanse Afghanistan
afgieten afgietsel afgifte
afglijden afglippen afgluren
afgod afgoderij afgodisch
afgolven afgooien afgorden
afgrauwen afgraven afgrazen
afgrendelen afgrenzen afgreppelen
afgrijselijk afgrijselijkheid afgrijzen
afgrissen afgrond afgronden
afgunst afgunstig afgunstig zijn
afgutsen afhaalmaaltijd afhaalrestaurant
afhaken afhakken afhalen
afhameren afhandelen afhandig maken
afhangen afhangen van afhangend
afhankelijk afhankelijk van afhankelijk zijn van
afhankelijke afhankelijkheid afhappen
afharden afharen afharken
Wörterbuch Niederländisch Von affirmatief An afharken