Übersetzungen für zenden
zenden
hat 4 Bedeutungen, 5 Synonymgruppen & 12 SynonymeNiederländisch Niederländisch
zenden (persoon, algemeen, post, richting)
Französisch
zenden Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
expédier
(v)
(persoon)
expédier
(v)
(algemeen)
expédier
(v)
(post)
expédier
(v)
(richting)
envoyer
(v)
(algemeen)
envoyer
(v)
(post)
envoyer
(v)
(richting)
envoyer
(v)
(persoon)
dépêcher
(v)
(persoon)
dépêcher
(v)
(algemeen)
dépêcher
(v)
(richting)
acheminer
(v)
(algemeen)
acheminer
(v)
(post)
acheminer
(v)
(richting)
acheminer
(v)
(persoon)
Italienisch
zenden Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
Englisch
zenden Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
Deutsch
zenden Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
Spanisch
zenden Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
Schwedisch
zenden Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
Portugiesisch
zenden Niederländisch » Portugiesisch
Neues Wort vorschlagen
expedir (v) (algemeen)
expedir (v) (richting)
expedir (v) (persoon)
expedir (v) (post)
enviar (v) (algemeen)
enviar (v) (richting)
enviar (v) (persoon)
enviar (v) (post)
mandar (v) (algemeen)
mandar (v) (richting)
mandar (v) (persoon)
mandar (v) (post)
despachar (v) (persoon)
despachar (v) (algemeen)
despachar (v) (richting)
remeter (v) (algemeen)
remeter (v) (post)
remeter (v) (richting)
Verbformen von zenden
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | zendend | und | gezonden |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | zend | zendt | zendt | zenden | zenden | zenden |
| Imperfect | zond | zond | zond | zonden | zonden | zonden |
| Toekomende tijd I | zal zenden | zult zenden | zal zenden | zullen zenden | zullen zenden | zullen zenden |
| Conditionalis I | zou zenden | zou zenden | zou zenden | zouden zenden | zouden zenden | zouden zenden |
| Perfectum | heb gezonden | hebt gezonden | heeft gezonden | hebben gezonden | hebben gezonden | hebben gezonden |
| Voltooid verleden tijd | had gezonden | had gezonden | had gezonden | hadden gezonden | hadden gezonden | hadden gezonden |
| Toekomende tijd II | zal gezonden hebben | zult gezonden hebben | zal gezonden hebben | zullen gezonden hebben | zullen gezonden hebben | zullen gezonden hebben |
| Conditionalis II | zou hebben gezonden | zou hebben gezonden | zou hebben gezonden | zouden hebben gezonden | zouden hebben gezonden | zouden hebben gezonden |
| Imperatief | - | zend | - | - | zendt | - |
