Übersetzungen für werken
werken
hat 6 Bedeutungen, 5 Synonymgruppen & 18 SynonymeNiederländisch Niederländisch
werken (algemeen, werk, mechanisch, verkeersteken, literatuur, schrijven)
Französisch
werken Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
travailler dur (v) (algemeen)
travailler dur (v) (werk)
peiner
(v)
(algemeen)
peiner
(v)
(werk)
travailler
(v)
(algemeen)
travailler
(v)
(werk)
travailler
(v)
(mechanisch)
marcher
(v)
(mechanisch)
marcher
(v)
(algemeen)
fonctionner
(v)
(mechanisch)
fonctionner
(v)
(algemeen)
Italienisch
werken Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
faticare
(v)
(algemeen)
faticare
(v)
(werk)
funzionare
(v)
(mechanisch)
funzionare
(v)
(algemeen)
lavorare
(v)
(algemeen)
lavorare
(v)
(werk)
lavorare
(v)
(mechanisch)
Englisch
werken Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
men at work (n) (verkeersteken)
construction
(n)
(verkeersteken)
writings
(n)
(literatuur)
works
(n)
(schrijven)
work
(v)
(algemeen)
function
(v)
(mechanisch)
work
(v)
(mechanisch)
operate
(v)
(mechanisch)
go
(v)
(mechanisch)
labor
(v)
(werk)
Deutsch
werken Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
Baustelle (n) [f.] (verkeersteken)
Schriften (p) (n) (literatuur)
Werke (p) (n) (schrijven)
arbeiten (v) (algemeen)
wirken (v) (algemeen)
gehen (v) (mechanisch)
funktionieren (v) (mechanisch)
wirken (v) (mechanisch)
arbeiten (v) (werk)
schwer arbeiten (v) (werk)
Spanisch
werken Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
Schwedisch
werken Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
Portugiesisch
werken Niederländisch » Portugiesisch
Neues Wort vorschlagen
trabalhar (v) (algemeen)
trabalhar (v) (werk)
trabalhar (v) (mechanisch)
laborar (v) (algemeen)
laborar (v) (werk)
atuar (v) (algemeen)
atuar (v) (mechanisch)
funcionar (v) (mechanisch)
funcionar (v) (algemeen)
operar (v) (mechanisch)
operar (v) (algemeen)
andar (v) [m.] (mechanisch)
andar (v) [m.] (algemeen)
Verbformen von werken
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | werkend | und | gewerkt |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | werk | werkt | werkt | werken | werken | werken |
| Imperfect | werkte | werkte | werkte | werkten | werkten | werkten |
| Toekomende tijd I | zal werken | zult werken | zal werken | zullen werken | zullen werken | zullen werken |
| Conditionalis I | zou werken | zou werken | zou werken | zouden werken | zouden werken | zouden werken |
| Perfectum | heb gewerkt | hebt gewerkt | heeft gewerkt | hebben gewerkt | hebben gewerkt | hebben gewerkt |
| Voltooid verleden tijd | had gewerkt | had gewerkt | had gewerkt | hadden gewerkt | hadden gewerkt | hadden gewerkt |
| Toekomende tijd II | zal gewerkt hebben | zult gewerkt hebben | zal gewerkt hebben | zullen gewerkt hebben | zullen gewerkt hebben | zullen gewerkt hebben |
| Conditionalis II | zou hebben gewerkt | zou hebben gewerkt | zou hebben gewerkt | zouden hebben gewerkt | zouden hebben gewerkt | zouden hebben gewerkt |
| Imperatief | - | werk | - | - | werkt | - |
