Übersetzungen für voorwenden
voorwenden
hat 3 Bedeutungen, 5 Synonymgruppen & 19 SynonymeNiederländisch Niederländisch
voorwenden (schijn, bedrog, affecteren)
Französisch
voorwenden Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
affirmer
(v)
(schijn)
affirmer
(v)
(bedrog)
déclarer
(v)
(schijn)
déclarer
(v)
(bedrog)
affecter
(v)
(bedrog)
affecter
(v)
(affecteren)
invention
(n)
[f.]
(bedrog)
professer (v) (schijn)
professer (v) (bedrog)
prétendre
(v)
(schijn)
prétendre
(v)
(bedrog)
prétendre
(v)
(affecteren)
proclamer
(v)
(schijn)
proclamer
(v)
(bedrog)
comédie
(n)
[f.]
(bedrog)
frime (n) [f.] (bedrog)
feindre
(v)
(bedrog)
feindre
(v)
(affecteren)
feindre
(v)
(schijn)
simuler
(v)
(bedrog)
simuler
(v)
(affecteren)
simuler
(v)
(schijn)
faire semblant
(v)
(bedrog)
faire semblant
(v)
(affecteren)
faire semblant
(v)
(schijn)
jouer la comédie (v) (bedrog)
jouer la comédie (v) (affecteren)
jouer la comédie (v) (schijn)
simulation
(n)
[f.]
(bedrog)
chiqué (n) [m.] (bedrog)
Italienisch
voorwenden Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
affettare
(v)
(affecteren)
affettare
(v)
(bedrog)
dissimulare
(v)
(schijn)
dissimulare
(v)
(bedrog)
far finta di (v) (schijn)
far finta di (v) (bedrog)
far finta di (v) (affecteren)
fingere
(v)
(schijn)
fingere
(v)
(bedrog)
fingere
(v)
(affecteren)
finta
(n)
[f.]
(bedrog)
pretendere
(v)
(affecteren)
pretendere
(v)
(bedrog)
pretendere di (v) (schijn)
pretendere di (v) (bedrog)
recitare
(v)
(schijn)
recitare
(v)
(bedrog)
simulare
(v)
(bedrog)
simulare
(v)
(schijn)
simulare
(v)
(affecteren)
simulazione
(n)
[f.]
(bedrog)
Englisch
voorwenden Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
Deutsch
voorwenden Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
Schwindeln (n) [n.] (bedrog)
Vortäuschen (n) [n.] (bedrog)
Simulieren (n) [n.] (bedrog)
vorgeben (v) (schijn)
behaupten (v) (schijn)
vorgeben (v) (bedrog)
vortäuschen (v) (bedrog)
simulieren (v) (bedrog)
heucheln (literature) (v) (bedrog)
fingieren (v) (bedrog)
heucheln (v) (affecteren)
fingieren (v) (affecteren)
Spanisch
voorwenden Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
actuar (v) (bedrog)
actuar (v) (schijn)
afectar
(v)
(bedrog)
afectar
(v)
(affecteren)
aparentar
(v)
(bedrog)
aparentar
(v)
(affecteren)
aparentar
(v)
(schijn)
disimular
(v)
(bedrog)
disimular
(v)
(schijn)
fingir
(v)
(bedrog)
fingir
(v)
(affecteren)
fingir
(v)
(schijn)
pretender (v) (schijn)
pretender (v) (bedrog)
pretender (v) (affecteren)
simulación
(n)
[f.]
(bedrog)
simular
(v)
(bedrog)
simular
(v)
(affecteren)
simular
(v)
(schijn)
Schwedisch
voorwenden Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
Portugiesisch
voorwenden Niederländisch » Portugiesisch
Neues Wort vorschlagen
afirmar (v) (schijn)
afirmar (v) (bedrog)
afetar (v) (affecteren)
afetar (v) (bedrog)
representar (v) (schijn)
representar (v) (bedrog)
proclamar (v) (schijn)
proclamar (v) (bedrog)
fingir de (v) (schijn)
fingir de (v) (bedrog)
fingir de (v) (affecteren)
disfarçar-se de (v) (schijn)
disfarçar-se de (v) (bedrog)
disfarçar-se de (v) (affecteren)
simular (v) (bedrog)
simular (v) (schijn)
simular (v) (affecteren)
fingir (v) (schijn)
fingir (v) (bedrog)
fingir (v) (affecteren)
simulação (n) [f.] (bedrog)
fingimento (n) [m.] (bedrog)
dissimular (v) (schijn)
dissimular (v) (bedrog)
Verbformen von voorwenden
| - | voor | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | voorwendend | und | voorgewend |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | wend voor | wendt voor | wendt voor | wenden voor | wenden voor | wenden voor |
| Imperfect | wendde voor | wendde voor | wendde voor | wendden voor | wendden voor | wendden voor |
| Toekomende tijd I | zal voorwenden | zult voorwenden | zal voorwenden | zullen voorwenden | zullen voorwenden | zullen voorwenden |
| Conditionalis I | zou voorwenden | zou voorwenden | zou voorwenden | zouden voorwenden | zouden voorwenden | zouden voorwenden |
| Perfectum | heb voorgewend | hebt voorgewend | heeft voorgewend | hebben voorgewend | hebben voorgewend | hebben voorgewend |
| Voltooid verleden tijd | had voorgewend | had voorgewend | had voorgewend | hadden voorgewend | hadden voorgewend | hadden voorgewend |
| Toekomende tijd II | zal voorgewend hebben | zult voorgewend hebben | zal voorgewend hebben | zullen voorgewend hebben | zullen voorgewend hebben | zullen voorgewend hebben |
| Conditionalis II | zou hebben voorgewend | zou hebben voorgewend | zou hebben voorgewend | zouden hebben voorgewend | zouden hebben voorgewend | zouden hebben voorgewend |
| Imperatief | - | wend voor | - | - | wendt voor | - |
