Übersetzungen für vooruitzetten
vooruitzetten
hat Eine BedeutungNiederländisch Niederländisch
vooruitzetten (horloge)
Französisch
vooruitzetten Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
avancer
(v)
(horloge)
Italienisch
vooruitzetten Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
mettere avanti (v) (horloge)
Englisch
vooruitzetten Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
put forward
(v)
(horloge)
advance
(v)
(horloge)
Deutsch
vooruitzetten Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
vorstellen (v) (horloge)
Spanisch
vooruitzetten Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
adelantar (v) (horloge)
Schwedisch
vooruitzetten Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
ställa fram (v) (horloge)
vrida fram (v) (horloge)
Portugiesisch
vooruitzetten Niederländisch » Portugiesisch
Neues Wort vorschlagen
Verbformen von vooruitzetten
| - | vooruit | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | vooruitzettend | und | vooruitgezet |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | zet vooruit | zet vooruit | zet vooruit | zetten vooruit | zetten vooruit | zetten vooruit |
| Imperfect | zette vooruit | zette vooruit | zette vooruit | zetten vooruit | zetten vooruit | zetten vooruit |
| Toekomende tijd I | zal vooruitzetten | zult vooruitzetten | zal vooruitzetten | zullen vooruitzetten | zullen vooruitzetten | zullen vooruitzetten |
| Conditionalis I | zou vooruitzetten | zou vooruitzetten | zou vooruitzetten | zouden vooruitzetten | zouden vooruitzetten | zouden vooruitzetten |
| Perfectum | heb vooruitgezet | hebt vooruitgezet | heeft vooruitgezet | hebben vooruitgezet | hebben vooruitgezet | hebben vooruitgezet |
| Voltooid verleden tijd | had vooruitgezet | had vooruitgezet | had vooruitgezet | hadden vooruitgezet | hadden vooruitgezet | hadden vooruitgezet |
| Toekomende tijd II | zal vooruitgezet hebben | zult vooruitgezet hebben | zal vooruitgezet hebben | zullen vooruitgezet hebben | zullen vooruitgezet hebben | zullen vooruitgezet hebben |
| Conditionalis II | zou hebben vooruitgezet | zou hebben vooruitgezet | zou hebben vooruitgezet | zouden hebben vooruitgezet | zouden hebben vooruitgezet | zouden hebben vooruitgezet |
| Imperatief | - | zet vooruit | - | - | zet vooruit | - |
