Übersetzungen für veroorzaken
veroorzaken
hat 8 Bedeutungen, 5 Synonymgruppen & 15 SynonymeNiederländisch Niederländisch
veroorzaken (opstand, ramp, algemeen, moeilijkheden, schade, teweegbrengen, reactie, oorzaak)
Französisch
veroorzaken Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
déclencher
(v)
(opstand)
déclencher
(v)
(ramp)
déclencher
(v)
(algemeen)
déclencher
(v)
(moeilijkheden)
déclencher
(v)
(schade)
déclencher
(v)
(teweegbrengen)
provoquer
(v)
(schade)
provoquer
(v)
(opstand)
provoquer
(v)
(ramp)
provoquer
(v)
(reactie)
provoquer
(v)
(oorzaak)
provoquer
(v)
(teweegbrengen)
provoquer
(v)
(algemeen)
provoquer
(v)
(moeilijkheden)
produire
(v)
(teweegbrengen)
produire
(v)
(algemeen)
produire
(v)
(moeilijkheden)
produire
(v)
(opstand)
produire
(v)
(ramp)
produire
(v)
(schade)
entraîner
(v)
(teweegbrengen)
entraîner
(v)
(ramp)
entraîner
(v)
(oorzaak)
entraîner
(v)
(algemeen)
entraîner
(v)
(moeilijkheden)
entraîner
(v)
(opstand)
entraîner
(v)
(schade)
causer
(v)
(schade)
causer
(v)
(opstand)
causer
(v)
(ramp)
causer
(v)
(teweegbrengen)
causer
(v)
(oorzaak)
causer
(v)
(algemeen)
causer
(v)
(moeilijkheden)
occasionner
(v)
(schade)
occasionner
(v)
(opstand)
occasionner
(v)
(ramp)
occasionner
(v)
(teweegbrengen)
occasionner
(v)
(oorzaak)
occasionner
(v)
(algemeen)
occasionner
(v)
(moeilijkheden)
susciter
(v)
(opstand)
susciter
(v)
(ramp)
susciter
(v)
(reactie)
susciter
(v)
(oorzaak)
susciter
(v)
(teweegbrengen)
susciter
(v)
(algemeen)
susciter
(v)
(moeilijkheden)
susciter
(v)
(schade)
être la cause de (v) (opstand)
être la cause de (v) (ramp)
être la cause de (v) (oorzaak)
être la cause de (v) (teweegbrengen)
être la cause de (v) (algemeen)
être la cause de (v) (moeilijkheden)
être la cause de (v) (schade)
amener
(v)
(teweegbrengen)
amener
(v)
(ramp)
amener
(v)
(oorzaak)
amener
(v)
(algemeen)
amener
(v)
(moeilijkheden)
amener
(v)
(opstand)
amener
(v)
(schade)
engendrer
(v)
(teweegbrengen)
engendrer
(v)
(ramp)
engendrer
(v)
(oorzaak)
engendrer
(v)
(algemeen)
engendrer
(v)
(moeilijkheden)
engendrer
(v)
(opstand)
engendrer
(v)
(schade)
Italienisch
veroorzaken Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
causare
(v)
(algemeen)
causare
(v)
(moeilijkheden)
causare
(v)
(opstand)
causare
(v)
(ramp)
causare
(v)
(schade)
causare
(v)
(teweegbrengen)
causare
(v)
(oorzaak)
causare
(v)
(reactie)
creare
(v)
(teweegbrengen)
creare
(v)
(algemeen)
creare
(v)
(moeilijkheden)
creare
(v)
(opstand)
creare
(v)
(ramp)
creare
(v)
(schade)
creare
(v)
(oorzaak)
dare
(v)
[m.]
(algemeen)
dare
(v)
[m.]
(moeilijkheden)
dare
(v)
[m.]
(opstand)
dare
(v)
[m.]
(ramp)
dare
(v)
[m.]
(schade)
dare
(v)
[m.]
(teweegbrengen)
determinare
(v)
(teweegbrengen)
determinare
(v)
(algemeen)
determinare
(v)
(moeilijkheden)
determinare
(v)
(opstand)
determinare
(v)
(ramp)
determinare
(v)
(schade)
determinare
(v)
(oorzaak)
effettuare
(v)
(teweegbrengen)
effettuare
(v)
(algemeen)
effettuare
(v)
(moeilijkheden)
effettuare
(v)
(opstand)
effettuare
(v)
(ramp)
effettuare
(v)
(schade)
effettuare
(v)
(oorzaak)
essere la causa di (v) (algemeen)
essere la causa di (v) (moeilijkheden)
essere la causa di (v) (opstand)
essere la causa di (v) (ramp)
essere la causa di (v) (schade)
essere la causa di (v) (teweegbrengen)
essere la causa di (v) (oorzaak)
far nascere (v) (ramp)
far nascere (v) (oorzaak)
far nascere (v) (teweegbrengen)
far nascere (v) (reactie)
generare
(v)
(ramp)
generare
(v)
(oorzaak)
generare
(v)
(teweegbrengen)
generare
(v)
(algemeen)
generare
(v)
(moeilijkheden)
generare
(v)
(opstand)
generare
(v)
(schade)
istigare
(v)
(opstand)
istigare
(v)
(ramp)
istigare
(v)
(algemeen)
istigare
(v)
(moeilijkheden)
istigare
(v)
(schade)
istigare
(v)
(teweegbrengen)
provocare
(v)
(opstand)
provocare
(v)
(ramp)
provocare
(v)
(algemeen)
provocare
(v)
(moeilijkheden)
provocare
(v)
(schade)
provocare
(v)
(teweegbrengen)
provocare
(v)
(reactie)
provocare
(v)
(oorzaak)
scatenare
(v)
(reactie)
scatenare
(v)
(oorzaak)
scatenare
(v)
(opstand)
scatenare
(v)
(ramp)
scatenare
(v)
(algemeen)
scatenare
(v)
(moeilijkheden)
scatenare
(v)
(schade)
scatenare
(v)
(teweegbrengen)
Englisch
veroorzaken Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
cause
(v)
(algemeen)
lead to (v) (algemeen)
cause
(v)
(moeilijkheden)
bring
(v)
(moeilijkheden)
instigate
(v)
(opstand)
trigger
(v)
(opstand)
cause
(v)
(opstand)
trigger
(v)
(reactie)
cause
(v)
(ramp)
start
(v)
(ramp)
bring about
(v)
(ramp)
bring on
(v)
(ramp)
provoke
(v)
(oorzaak)
cause
(v)
(schade)
bring about
(v)
(schade)
bring about
(v)
(teweegbrengen)
cause
(v)
(teweegbrengen)
bring
(v)
(teweegbrengen)
create
(v)
(teweegbrengen)
give rise to (v) (teweegbrengen)
engender
(v)
(teweegbrengen)
bring on
(v)
(teweegbrengen)
cause to be (v) (teweegbrengen)
Deutsch
veroorzaken Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
verursachen (v) (algemeen)
verursachen (v) (moeilijkheden)
anstiften (v) (opstand)
anzetteln (v) (opstand)
verursachen (v) (opstand)
auslösen (v) (reactie)
verursachen (v) (ramp)
hervorrufen (v) (ramp)
anstiften (v) (ramp)
hervorrufen (v) (oorzaak)
auslösen (v) (oorzaak)
anrichten (v) (schade)
verursachen (v) (schade)
zuwegebringen (v) (teweegbrengen)
veranlassen (v) (teweegbrengen)
verursachen (v) (teweegbrengen)
hervorrufen (v) (teweegbrengen)
bewerkstelligen (v) (teweegbrengen)
heranbringen (v) (teweegbrengen)
herbeiführen (v) (teweegbrengen)
Spanisch
veroorzaken Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
causar (v) (schade)
causar (v) (opstand)
causar (v) (ramp)
causar (v) (teweegbrengen)
causar (v) (oorzaak)
causar (v) (algemeen)
causar (v) (moeilijkheden)
crear (v) (teweegbrengen)
crear (v) (ramp)
crear (v) (oorzaak)
crear (v) (algemeen)
crear (v) (moeilijkheden)
crear (v) (opstand)
crear (v) (schade)
desatar
(v)
(reactie)
desatar
(v)
(oorzaak)
desencadenar
(v)
(opstand)
desencadenar
(v)
(ramp)
desencadenar
(v)
(algemeen)
desencadenar
(v)
(moeilijkheden)
desencadenar
(v)
(schade)
desencadenar
(v)
(teweegbrengen)
hacer estallar (v) (opstand)
hacer estallar (v) (ramp)
hacer estallar (v) (algemeen)
hacer estallar (v) (moeilijkheden)
hacer estallar (v) (schade)
hacer estallar (v) (teweegbrengen)
incitar
(v)
(opstand)
incitar
(v)
(ramp)
incitar
(v)
(algemeen)
incitar
(v)
(moeilijkheden)
incitar
(v)
(schade)
incitar
(v)
(teweegbrengen)
inducir
(v)
(opstand)
inducir
(v)
(ramp)
inducir
(v)
(algemeen)
inducir
(v)
(moeilijkheden)
inducir
(v)
(schade)
inducir
(v)
(teweegbrengen)
instigar
(v)
(opstand)
instigar
(v)
(ramp)
instigar
(v)
(algemeen)
instigar
(v)
(moeilijkheden)
instigar
(v)
(schade)
instigar
(v)
(teweegbrengen)
ocasionar
(v)
(schade)
ocasionar
(v)
(opstand)
ocasionar
(v)
(ramp)
ocasionar
(v)
(teweegbrengen)
ocasionar
(v)
(oorzaak)
ocasionar
(v)
(algemeen)
ocasionar
(v)
(moeilijkheden)
originar
(v)
(teweegbrengen)
originar
(v)
(ramp)
originar
(v)
(oorzaak)
originar
(v)
(algemeen)
originar
(v)
(moeilijkheden)
originar
(v)
(opstand)
originar
(v)
(schade)
producir (v) (schade)
producir (v) (opstand)
producir (v) (ramp)
producir (v) (teweegbrengen)
producir (v) (oorzaak)
producir (v) (algemeen)
producir (v) (moeilijkheden)
provocar (v) (opstand)
provocar (v) (ramp)
provocar (v) (reactie)
provocar (v) (oorzaak)
provocar (v) (teweegbrengen)
provocar (v) (algemeen)
provocar (v) (moeilijkheden)
provocar (v) (schade)
Schwedisch
veroorzaken Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
sätta igång (v) (algemeen)
sätta igång (v) (moeilijkheden)
sätta igång (v) (opstand)
sätta igång (v) (ramp)
sätta igång (v) (schade)
sätta igång (v) (teweegbrengen)
anstifta (v) (algemeen)
anstifta (v) (moeilijkheden)
anstifta (v) (opstand)
anstifta (v) (ramp)
anstifta (v) (schade)
anstifta (v) (teweegbrengen)
vålla (v) (algemeen)
vålla (v) (moeilijkheden)
vålla (v) (opstand)
vålla (v) (ramp)
vålla (v) (oorzaak)
vålla (v) (schade)
vålla (v) (teweegbrengen)
förorsaka (v) (algemeen)
förorsaka (v) (moeilijkheden)
förorsaka (v) (opstand)
förorsaka (v) (ramp)
förorsaka (v) (oorzaak)
förorsaka (v) (schade)
förorsaka (v) (teweegbrengen)
framkalla (v) (algemeen)
framkalla (v) (moeilijkheden)
framkalla (v) (opstand)
framkalla (v) (reactie)
framkalla (v) (ramp)
framkalla (v) (oorzaak)
framkalla (v) (schade)
framkalla (v) (teweegbrengen)
provocera (v) (reactie)
provocera (v) (ramp)
provocera (v) (oorzaak)
provocera (v) (teweegbrengen)
utlösa (v) (reactie)
utlösa (v) (oorzaak)
orsaka (v) (algemeen)
orsaka (v) (moeilijkheden)
orsaka (v) (opstand)
orsaka (v) (ramp)
orsaka (v) (oorzaak)
orsaka (v) (schade)
orsaka (v) (teweegbrengen)
frambringa (v) (algemeen)
frambringa (v) (moeilijkheden)
frambringa (v) (opstand)
frambringa (v) (ramp)
frambringa (v) (oorzaak)
frambringa (v) (schade)
frambringa (v) (teweegbrengen)
Portugiesisch
veroorzaken Niederländisch » Portugiesisch
Neues Wort vorschlagen
trazer (v) (algemeen)
trazer (v) (moeilijkheden)
trazer (v) (opstand)
trazer (v) (ramp)
trazer (v) (schade)
trazer (v) (teweegbrengen)
incitar (v) (opstand)
incitar (v) (ramp)
incitar (v) (algemeen)
incitar (v) (moeilijkheden)
incitar (v) (schade)
incitar (v) (teweegbrengen)
começar (v) (algemeen)
começar (v) (moeilijkheden)
começar (v) (opstand)
começar (v) (ramp)
começar (v) (schade)
começar (v) (teweegbrengen)
começar (v) (oorzaak)
dar início (v) (algemeen)
dar início (v) (moeilijkheden)
dar início (v) (opstand)
dar início (v) (ramp)
dar início (v) (schade)
dar início (v) (teweegbrengen)
dar início (v) (oorzaak)
instigar (v) (opstand)
instigar (v) (ramp)
instigar (v) (algemeen)
instigar (v) (moeilijkheden)
instigar (v) (schade)
instigar (v) (teweegbrengen)
causar (v) (algemeen)
causar (v) (moeilijkheden)
causar (v) (opstand)
causar (v) (ramp)
causar (v) (schade)
causar (v) (teweegbrengen)
causar (v) (oorzaak)
causar (v) (reactie)
provocar (v) (opstand)
provocar (v) (ramp)
provocar (v) (algemeen)
provocar (v) (moeilijkheden)
provocar (v) (schade)
provocar (v) (teweegbrengen)
provocar (v) (oorzaak)
provocar (v) (reactie)
desencadear (v) (reactie)
desencadear (v) (oorzaak)
desencadear (v) (opstand)
desencadear (v) (ramp)
desencadear (v) (algemeen)
desencadear (v) (moeilijkheden)
desencadear (v) (schade)
desencadear (v) (teweegbrengen)
ocasionar (v) (teweegbrengen)
ocasionar (v) (algemeen)
ocasionar (v) (moeilijkheden)
ocasionar (v) (opstand)
ocasionar (v) (ramp)
ocasionar (v) (schade)
ocasionar (v) (oorzaak)
trazer a tona (v) (teweegbrengen)
trazer a tona (v) (algemeen)
trazer a tona (v) (moeilijkheden)
trazer a tona (v) (opstand)
trazer a tona (v) (ramp)
trazer a tona (v) (schade)
trazer a tona (v) (oorzaak)
criar (v) (teweegbrengen)
criar (v) (algemeen)
criar (v) (moeilijkheden)
criar (v) (opstand)
criar (v) (ramp)
criar (v) (schade)
criar (v) (oorzaak)
acarretar (v) (teweegbrengen)
acarretar (v) (algemeen)
acarretar (v) (moeilijkheden)
acarretar (v) (opstand)
acarretar (v) (ramp)
acarretar (v) (schade)
levar a (v) (algemeen)
levar a (v) (moeilijkheden)
levar a (v) (opstand)
levar a (v) (ramp)
levar a (v) (schade)
levar a (v) (teweegbrengen)
Verbformen von veroorzaken
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | veroorzakend | und | veroorzaakt |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | veroorzaak | veroorzaakt | veroorzaakt | veroorzaken | veroorzaken | veroorzaken |
| Imperfect | veroorzaakte | veroorzaakte | veroorzaakte | veroorzaakten | veroorzaakten | veroorzaakten |
| Toekomende tijd I | zal veroorzaken | zult veroorzaken | zal veroorzaken | zullen veroorzaken | zullen veroorzaken | zullen veroorzaken |
| Conditionalis I | zou veroorzaken | zou veroorzaken | zou veroorzaken | zouden veroorzaken | zouden veroorzaken | zouden veroorzaken |
| Perfectum | heb veroorzaakt | hebt veroorzaakt | heeft veroorzaakt | hebben veroorzaakt | hebben veroorzaakt | hebben veroorzaakt |
| Voltooid verleden tijd | had veroorzaakt | had veroorzaakt | had veroorzaakt | hadden veroorzaakt | hadden veroorzaakt | hadden veroorzaakt |
| Toekomende tijd II | zal veroorzaakt hebben | zult veroorzaakt hebben | zal veroorzaakt hebben | zullen veroorzaakt hebben | zullen veroorzaakt hebben | zullen veroorzaakt hebben |
| Conditionalis II | zou hebben veroorzaakt | zou hebben veroorzaakt | zou hebben veroorzaakt | zouden hebben veroorzaakt | zouden hebben veroorzaakt | zouden hebben veroorzaakt |
| Imperatief | - | veroorzaak | - | - | veroorzaakt | - |
