Übersetzungen für vermogen
vermogen
hat 5 Bedeutungen, 5 Synonymgruppen & 12 SynonymeNiederländisch Niederländisch
vermogen (geld, bezit, boekhouding, financiën, bekwaamheid)
Französisch
vermogen Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
capital
(n)
[m.]
(geld)
capital
(n)
[m.]
(bezit)
capital
(n)
[m.]
(boekhouding)
capital
(n)
[m.]
(financiën)
actif
(n)
[m.]
(bezit)
actif
(n)
[m.]
(boekhouding)
actif
(n)
[m.]
(financiën)
avoir
(n)
[m.]
(bezit)
avoir
(n)
[m.]
(boekhouding)
avoir
(n)
[m.]
(financiën)
pouvoir
(n)
[m.]
(bekwaamheid)
capacité
(n)
[f.]
(bekwaamheid)
compétence
(n)
[f.]
(bekwaamheid)
habileté
(n)
[f.]
(bekwaamheid)
aptitude
(n)
[f.]
(bekwaamheid)
talent
(n)
[m.]
(bekwaamheid)
faculté
(n)
[f.]
(bekwaamheid)
possessions (n) [f.] (bezit)
possessions (n) [f.] (boekhouding)
possessions (n) [f.] (financiën)
propriétés (n) [f.] (bezit)
propriétés (n) [f.] (boekhouding)
propriétés (n) [f.] (financiën)
fortune
(n)
[f.]
(bezit)
fortune
(n)
[f.]
(boekhouding)
fortune
(n)
[f.]
(financiën)
ressources
(n)
[f.]
(financiën)
ressources
(n)
[f.]
(bezit)
ressources
(n)
[f.]
(boekhouding)
possibilités (n) [f.] (financiën)
possibilités (n) [f.] (bezit)
possibilités (n) [f.] (boekhouding)
rente
(n)
[f.]
(bezit)
rente
(n)
[f.]
(boekhouding)
rente
(n)
[f.]
(financiën)
richesses (n) [f.] (bezit)
richesses (n) [f.] (boekhouding)
richesses (n) [f.] (financiën)
Italienisch
vermogen Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
abilità
(n)
[f.]
(bekwaamheid)
capacità
(n)
[f.]
(bekwaamheid)
capacità
(n)
[f.]
(financiën)
capacità
(n)
[f.]
(bezit)
capacità
(n)
[f.]
(boekhouding)
capitale
(n)
[m.]
(bezit)
capitale
(n)
[m.]
(boekhouding)
capitale
(n)
[m.]
(financiën)
capitale
(n)
[m.]
(geld)
competenza
(n)
[f.]
(bekwaamheid)
disponibilità
(n)
[f.]
(financiën)
disponibilità
(n)
[f.]
(bezit)
disponibilità
(n)
[f.]
(boekhouding)
fortuna
(n)
[f.]
(bezit)
fortuna
(n)
[f.]
(boekhouding)
fortuna
(n)
[f.]
(financiën)
patrimonio
(n)
[m.]
(bezit)
patrimonio
(n)
[m.]
(boekhouding)
patrimonio
(n)
[m.]
(financiën)
potere
(n)
[m.]
(bekwaamheid)
proprietà
(n)
[f.]
(bezit)
proprietà
(n)
[f.]
(boekhouding)
proprietà
(n)
[f.]
(financiën)
rendita
(n)
[f.]
(bezit)
rendita
(n)
[f.]
(boekhouding)
rendita
(n)
[f.]
(financiën)
ricchezze
(n)
[f.]
(bezit)
ricchezze
(n)
[f.]
(boekhouding)
ricchezze
(n)
[f.]
(financiën)
risorse
(n)
[f.]
(financiën)
risorse
(n)
[f.]
(bezit)
risorse
(n)
[f.]
(boekhouding)
Englisch
vermogen Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
fortune
(n)
(bezit)
wealth
(n)
(bezit)
holdings
(n)
(bezit)
possessions
(n)
(bezit)
assets
(n)
(boekhouding)
property
(n)
(boekhouding)
means
(n)
(boekhouding)
means
(n)
(financiën)
strength
(n)
(financiën)
capacity
(n)
(financiën)
capital
(n)
(geld)
capability
(n)
(bekwaamheid)
capableness (n) (bekwaamheid)
ability
(n)
(bekwaamheid)
competence
(n)
(bekwaamheid)
capacity
(n)
(bekwaamheid)
faculty
(n)
(bekwaamheid)
aptitude
(n)
(bekwaamheid)
Deutsch
vermogen Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
Vermögen (n) [n.] (bezit)
Reichtum (n) [m.] (bezit)
Besitz (n) [m.] (bezit)
Aktiva (p) (n) (boekhouding)
Vermögen (n) [n.] (boekhouding)
finanzielle Belastbarkeit (n) [f.] (financiën)
Vermögen (n) [n.] (financiën)
Kapital (n) [n.] (geld)
Grundkapital (n) [n.] (geld)
Fähigkeit (n) [f.] (bekwaamheid)
Begabung (n) [f.] (bekwaamheid)
Befähigung (n) [f.] (bekwaamheid)
Geschick (n) [n.] (bekwaamheid)
Talent (n) [n.] (bekwaamheid)
Eignung (n) [f.] (bekwaamheid)
Spanisch
vermogen Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
aptitud
(n)
[f.]
(bekwaamheid)
capacidad (n) [f.] (bekwaamheid)
capacidad (n) [f.] (financiën)
capacidad (n) [f.] (bezit)
capacidad (n) [f.] (boekhouding)
capital (n) [m.] (geld)
capital (n) [m.] (bezit)
capital (n) [m.] (boekhouding)
capital (n) [m.] (financiën)
competencia (n) [f.] (bekwaamheid)
fortuna (n) [f.] (bezit)
fortuna (n) [f.] (boekhouding)
fortuna (n) [f.] (financiën)
habilidad (n) [f.] (bekwaamheid)
patrimonio (n) [m.] (bezit)
patrimonio (n) [m.] (boekhouding)
patrimonio (n) [m.] (financiën)
posesiones (n) [f.] (bezit)
posesiones (n) [f.] (boekhouding)
posesiones (n) [f.] (financiën)
renta (n) [f.] (bezit)
renta (n) [f.] (boekhouding)
renta (n) [f.] (financiën)
riqueza (n) [f.] (bezit)
riqueza (n) [f.] (boekhouding)
riqueza (n) [f.] (financiën)
Schwedisch
vermogen Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
Portugiesisch
vermogen Niederländisch » Portugiesisch
Neues Wort vorschlagen
ativo (n) [m.] (bezit)
ativo (n) [m.] (boekhouding)
ativo (n) [m.] (financiën)
capacidade (n) [f.] (financiën)
capacidade (n) [f.] (bezit)
capacidade (n) [f.] (boekhouding)
capacidade (n) [f.] (bekwaamheid)
habilidade (n) [f.] (bekwaamheid)
competência (n) [f.] (bekwaamheid)
faculdade (n) [f.] (bekwaamheid)
aptidão (n) [f.] (bekwaamheid)
posses (n) [f.] (bezit)
posses (n) [f.] (boekhouding)
posses (n) [f.] (financiën)
riqueza (n) [f.] (bezit)
riqueza (n) [f.] (boekhouding)
riqueza (n) [f.] (financiën)
renda (n) [f.] (bezit)
renda (n) [f.] (boekhouding)
renda (n) [f.] (financiën)
rendimento (n) [m.] (bezit)
rendimento (n) [m.] (boekhouding)
rendimento (n) [m.] (financiën)
capital (n) [m.] (geld)
verba (n) [f.] (geld)
fortuna (n) [f.] (bezit)
fortuna (n) [f.] (boekhouding)
fortuna (n) [f.] (financiën)
Verbformen von vermogen
| irr. | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | vermogend | und | vermocht |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | vermag | vermag | vermag | vermogen | vermogen | vermogen |
| Imperfect | vermocht | vermocht | vermocht | vermochten | vermochten | vermochten |
| Toekomende tijd I | zal vermogen | zult vermogen | zal vermogen | zullen vermogen | zullen vermogen | zullen vermogen |
| Conditionalis I | zou vermogen | zou vermogen | zou vermogen | zouden vermogen | zouden vermogen | zouden vermogen |
| Perfectum | heb vermocht | hebt vermocht | heeft vermocht | hebben vermocht | hebben vermocht | hebben vermocht |
| Voltooid verleden tijd | had vermocht | had vermocht | had vermocht | hadden vermocht | hadden vermocht | hadden vermocht |
| Toekomende tijd II | zal vermocht hebben | zult vermocht hebben | zal vermocht hebben | zullen vermocht hebben | zullen vermocht hebben | zullen vermocht hebben |
| Conditionalis II | zou hebben vermocht | zou hebben vermocht | zou hebben vermocht | zouden hebben vermocht | zouden hebben vermocht | zouden hebben vermocht |
| Imperatief | - | - | - | - | - | - |
