Übersetzungen für verdubbelen
verdubbelen
hat 3 BedeutungenNiederländisch Niederländisch
verdubbelen (algemeen, aantal, spelen - kaarten)
Französisch
verdubbelen Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
Italienisch
verdubbelen Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
allargare
(v)
(algemeen)
ampliare
(v)
(algemeen)
raddoppiare
(v)
(algemeen)
raddoppiare
(v)
(aantal)
raddoppiare
(v)
(spelen - kaarten)
rinforzare
(v)
(algemeen)
Englisch
verdubbelen Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
reduplicate
(v)
(algemeen)
redouble
(v)
(algemeen)
double
(v)
(aantal)
double
(v)
(spelen - kaarten)
Deutsch
verdubbelen Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
verdoppeln (v) (algemeen)
verstärken (v) (algemeen)
verdoppeln (v) (aantal)
verdoppeln (v) (spelen - kaarten)
Spanisch
verdubbelen Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
amplificar
(v)
(algemeen)
doblar
(v)
(algemeen)
doblar
(v)
(aantal)
doblar
(v)
(spelen - kaarten)
redoblar
(v)
(algemeen)
redoblar
(v)
(aantal)
redoblar
(v)
(spelen - kaarten)
reduplicar
(v)
(algemeen)
reduplicar
(v)
(aantal)
reduplicar
(v)
(spelen - kaarten)
reforzar
(v)
(algemeen)
Schwedisch
verdubbelen Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
Portugiesisch
verdubbelen Niederländisch » Portugiesisch
Neues Wort vorschlagen
dobrar (v) [m.] (algemeen)
dobrar (v) [m.] (aantal)
dobrar (v) [m.] (spelen - kaarten)
reforçar (v) (algemeen)
ampliar (v) (algemeen)
amplificar (v) (algemeen)
duplicar (v) (algemeen)
duplicar (v) (aantal)
duplicar (v) (spelen - kaarten)
redobrar (v) (algemeen)
redobrar (v) (aantal)
redobrar (v) (spelen - kaarten)
reduplicar (v) (algemeen)
reduplicar (v) (aantal)
reduplicar (v) (spelen - kaarten)
tornar a dobrar (v) (algemeen)
tornar a dobrar (v) (aantal)
tornar a dobrar (v) (spelen - kaarten)
Verbformen von verdubbelen
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | verdubbelend | und | verdubbeld |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | verdubbel | verdubbelt | verdubbelt | verdubbelen | verdubbelen | verdubbelen |
| Imperfect | verdubbelde | verdubbelde | verdubbelde | verdubbelden | verdubbelden | verdubbelden |
| Toekomende tijd I | zal verdubbelen | zult verdubbelen | zal verdubbelen | zullen verdubbelen | zullen verdubbelen | zullen verdubbelen |
| Conditionalis I | zou verdubbelen | zou verdubbelen | zou verdubbelen | zouden verdubbelen | zouden verdubbelen | zouden verdubbelen |
| Perfectum | heb verdubbeld | hebt verdubbeld | heeft verdubbeld | hebben verdubbeld | hebben verdubbeld | hebben verdubbeld |
| Voltooid verleden tijd | had verdubbeld | had verdubbeld | had verdubbeld | hadden verdubbeld | hadden verdubbeld | hadden verdubbeld |
| Toekomende tijd II | zal verdubbeld hebben | zult verdubbeld hebben | zal verdubbeld hebben | zullen verdubbeld hebben | zullen verdubbeld hebben | zullen verdubbeld hebben |
| Conditionalis II | zou hebben verdubbeld | zou hebben verdubbeld | zou hebben verdubbeld | zouden hebben verdubbeld | zouden hebben verdubbeld | zouden hebben verdubbeld |
| Imperatief | - | verdubbel | - | - | verdubbelt | - |
