Übersetzungen für vastleggen
vastleggen
hat 5 Bedeutungen, 5 Synonymgruppen & 16 SynonymeNiederländisch Niederländisch
vastleggen (hond, geld, overeenkomst, tijd, algemeen)
Französisch
vastleggen Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
attacher
(v)
(hond)
immobiliser
(v)
(geld)
fixer
(v)
(overeenkomst)
fixer
(v)
(tijd)
fixer
(v)
(algemeen)
déterminer
(v)
(overeenkomst)
déterminer
(v)
(tijd)
déterminer
(v)
(algemeen)
préciser
(v)
(overeenkomst)
préciser
(v)
(tijd)
préciser
(v)
(algemeen)
caler
(v)
(algemeen)
caler
(v)
(overeenkomst)
caler
(v)
(tijd)
spécifier
(v)
(overeenkomst)
spécifier
(v)
(tijd)
spécifier
(v)
(algemeen)
Italienisch
vastleggen Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
dichiarare
(v)
(overeenkomst)
dichiarare
(v)
(tijd)
dichiarare
(v)
(algemeen)
fissare
(v)
(overeenkomst)
fissare
(v)
(tijd)
fissare
(v)
(algemeen)
impegnare
(v)
(geld)
indicare
(v)
(overeenkomst)
indicare
(v)
(tijd)
indicare
(v)
(algemeen)
inzeppare (v) (algemeen)
inzeppare (v) (overeenkomst)
inzeppare (v) (tijd)
legare
(v)
(hond)
rincalzare
(v)
(algemeen)
rincalzare
(v)
(overeenkomst)
rincalzare
(v)
(tijd)
specificare
(v)
(overeenkomst)
specificare
(v)
(tijd)
specificare
(v)
(algemeen)
stabilire
(v)
(overeenkomst)
stabilire
(v)
(tijd)
stabilire
(v)
(algemeen)
Englisch
vastleggen Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
Deutsch
vastleggen Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
festsetzen (v) (algemeen)
festlegen (v) (overeenkomst)
festsetzen (v) (overeenkomst)
festbinden (v) (hond)
fest anlegen (v) (geld)
festlegen (v) (tijd)
festsetzen (v) (tijd)
Spanisch
vastleggen Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
atar (v) (hond)
declarar (v) (overeenkomst)
declarar (v) (tijd)
declarar (v) (algemeen)
determinar
(v)
(overeenkomst)
determinar
(v)
(tijd)
determinar
(v)
(algemeen)
embutir (v) (algemeen)
embutir (v) (overeenkomst)
embutir (v) (tijd)
empotrar (v) (algemeen)
empotrar (v) (overeenkomst)
empotrar (v) (tijd)
especificar
(v)
(overeenkomst)
especificar
(v)
(tijd)
especificar
(v)
(algemeen)
establecer
(v)
(overeenkomst)
establecer
(v)
(tijd)
establecer
(v)
(algemeen)
fijar (v) (overeenkomst)
fijar (v) (tijd)
fijar (v) (algemeen)
incrustar
(v)
(algemeen)
incrustar
(v)
(overeenkomst)
incrustar
(v)
(tijd)
inmovilizar (v) (geld)
Schwedisch
vastleggen Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
låsa (v) (geld)
bestämma (v) (algemeen)
bestämma (v) (overeenkomst)
bestämma (v) (tijd)
fastställa (v) (algemeen)
fastställa (v) (overeenkomst)
fastställa (v) (tijd)
låsa fast (v) (geld)
binda fast (v) (hond)
fastsätta (v) (algemeen)
fastsätta (v) (overeenkomst)
fastsätta (v) (tijd)
bädda in (v) (algemeen)
bädda in (v) (overeenkomst)
bädda in (v) (tijd)
Portugiesisch
vastleggen Niederländisch » Portugiesisch
Neues Wort vorschlagen
marcar (v) (overeenkomst)
marcar (v) (tijd)
marcar (v) (algemeen)
prender (v) (hond)
indicar (v) (overeenkomst)
indicar (v) (tijd)
indicar (v) (algemeen)
especificar (v) (overeenkomst)
especificar (v) (tijd)
especificar (v) (algemeen)
definir (v) (overeenkomst)
definir (v) (tijd)
definir (v) (algemeen)
amarrar (v) (geld)
fixar (v) (overeenkomst)
fixar (v) (tijd)
fixar (v) (algemeen)
determinar (v) (overeenkomst)
determinar (v) (tijd)
determinar (v) (algemeen)
imobilizar (v) (geld)
estabelecer (v) (overeenkomst)
estabelecer (v) (tijd)
estabelecer (v) (algemeen)
engastar (v) (algemeen)
engastar (v) (overeenkomst)
engastar (v) (tijd)
encastoar (v) (algemeen)
encastoar (v) (overeenkomst)
encastoar (v) (tijd)
encravar (v) (algemeen)
encravar (v) (overeenkomst)
encravar (v) (tijd)
Verbformen von vastleggen
| irr. | vast | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | vastleggend | und | vastgelegd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | leg vast | legt vast | legt vast | leggen vast | leggen vast | leggen vast |
| Imperfect | legde vast | legde vast | legde vast | legden vast | legden vast | legden vast |
| Toekomende tijd I | zal vastleggen | zult vastleggen | zal vastleggen | zullen vastleggen | zullen vastleggen | zullen vastleggen |
| Conditionalis I | zou vastleggen | zou vastleggen | zou vastleggen | zouden vastleggen | zouden vastleggen | zouden vastleggen |
| Perfectum | heb vastgelegd | hebt vastgelegd | heeft vastgelegd | hebben vastgelegd | hebben vastgelegd | hebben vastgelegd |
| Voltooid verleden tijd | had vastgelegd | had vastgelegd | had vastgelegd | hadden vastgelegd | hadden vastgelegd | hadden vastgelegd |
| Toekomende tijd II | zal vastgelegd hebben | zult vastgelegd hebben | zal vastgelegd hebben | zullen vastgelegd hebben | zullen vastgelegd hebben | zullen vastgelegd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben vastgelegd | zou hebben vastgelegd | zou hebben vastgelegd | zouden hebben vastgelegd | zouden hebben vastgelegd | zouden hebben vastgelegd |
| Imperatief | - | leg vast | - | - | legt vast | - |
