Übersetzungen für vastkleven
vastkleven
hat 2 BedeutungenNiederländisch Niederländisch
vastkleven (algemeen, kleven)
Französisch
vastkleven Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
Italienisch
vastkleven Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
aderenza (n) [f.] (kleven)
aderenza (n) [f.] (algemeen)
aderire
(v)
(kleven)
adesione
(n)
[f.]
(algemeen)
adesione
(n)
[f.]
(kleven)
appiccicare
(v)
(kleven)
incollarsi
(v)
(kleven)
Englisch
vastkleven Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
Deutsch
vastkleven Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
Festkleben (n) [n.] (algemeen)
Kleben (n) [n.] (kleven)
Festkleben (n) [n.] (kleven)
kleben (v) (kleven)
festkleben (v) (kleven)
Spanisch
vastkleven Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
adherencia
(n)
[f.]
(algemeen)
adherencia
(n)
[f.]
(kleven)
adherirse
(v)
(kleven)
adhesividad (n) [f.] (algemeen)
adhesividad (n) [f.] (kleven)
pegarse (v) (kleven)
Schwedisch
vastkleven Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
fastsittande (n) [n.] (algemeen)
fastsittande (n) [n.] (kleven)
fasthållande (n) [n.] (algemeen)
fasthållande (n) [n.] (kleven)
klibba fast (v) (kleven)
hänga fast (v) (kleven)
häfta vid (v) (kleven)
vidhäftande (n) [n.] (algemeen)
vidhäftande (n) [n.] (kleven)
fastklibbande (n) [n.] (algemeen)
fastklibbande (n) [n.] (kleven)
Verbformen von vastkleven
| - | vast | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | vastklevend | und | vastgekleefd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | kleef vast | kleeft vast | kleeft vast | kleven vast | kleven vast | kleven vast |
| Imperfect | kleefde vast | kleefde vast | kleefde vast | kleefden vast | kleefden vast | kleefden vast |
| Toekomende tijd I | zal vastkleven | zult vastkleven | zal vastkleven | zullen vastkleven | zullen vastkleven | zullen vastkleven |
| Conditionalis I | zou vastkleven | zou vastkleven | zou vastkleven | zouden vastkleven | zouden vastkleven | zouden vastkleven |
| Perfectum | heb vastgekleefd | hebt vastgekleefd | heeft vastgekleefd | hebben vastgekleefd | hebben vastgekleefd | hebben vastgekleefd |
| Voltooid verleden tijd | had vastgekleefd | had vastgekleefd | had vastgekleefd | hadden vastgekleefd | hadden vastgekleefd | hadden vastgekleefd |
| Toekomende tijd II | zal vastgekleefd hebben | zult vastgekleefd hebben | zal vastgekleefd hebben | zullen vastgekleefd hebben | zullen vastgekleefd hebben | zullen vastgekleefd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben vastgekleefd | zou hebben vastgekleefd | zou hebben vastgekleefd | zouden hebben vastgekleefd | zouden hebben vastgekleefd | zouden hebben vastgekleefd |
| Imperatief | - | kleef vast | - | - | kleeft vast | - |
