Übersetzungen für uitspreken
uitspreken
hat Eine Bedeutung, 5 Synonymgruppen & 12 SynonymeNiederländisch Niederländisch
uitspreken (woorden)
Französisch
uitspreken Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
Italienisch
uitspreken Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
articolare
(v)
(woorden)
pronuncia
(n)
[f.]
(woorden)
pronunciare
(v)
(woorden)
pronunciare bene (v) (woorden)
pronunziare (v) (woorden)
Englisch
uitspreken Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
pronouncing (n) (woorden)
pronounce
(v)
(woorden)
Deutsch
uitspreken Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
Aussprache (n) [f.] (woorden)
aussprechen (v) (woorden)
Spanisch
uitspreken Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
articular
(v)
(woorden)
enunciar (v) (woorden)
pronunciación
(n)
[f.]
(woorden)
pronunciar (v) (woorden)
Schwedisch
uitspreken Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
uttalande (n) [n.] (woorden)
artikulera (v) (woorden)
uttala (v) (woorden)
tala tydligt (v) (woorden)
Portugiesisch
uitspreken Niederländisch » Portugiesisch
Neues Wort vorschlagen
Verbformen von uitspreken
| - | uit | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | uitsprekend | und | uitgesproken |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | spreek uit | spreekt uit | spreekt uit | spreken uit | spreken uit | spreken uit |
| Imperfect | sprak uit | sprak uit | sprak uit | spraken uit | spraken uit | spraken uit |
| Toekomende tijd I | zal uitspreken | zult uitspreken | zal uitspreken | zullen uitspreken | zullen uitspreken | zullen uitspreken |
| Conditionalis I | zou uitspreken | zou uitspreken | zou uitspreken | zouden uitspreken | zouden uitspreken | zouden uitspreken |
| Perfectum | heb uitgesproken | hebt uitgesproken | heeft uitgesproken | hebben uitgesproken | hebben uitgesproken | hebben uitgesproken |
| Voltooid verleden tijd | had uitgesproken | had uitgesproken | had uitgesproken | hadden uitgesproken | hadden uitgesproken | hadden uitgesproken |
| Toekomende tijd II | zal uitgesproken hebben | zult uitgesproken hebben | zal uitgesproken hebben | zullen uitgesproken hebben | zullen uitgesproken hebben | zullen uitgesproken hebben |
| Conditionalis II | zou hebben uitgesproken | zou hebben uitgesproken | zou hebben uitgesproken | zouden hebben uitgesproken | zouden hebben uitgesproken | zouden hebben uitgesproken |
| Imperatief | - | spreek uit | - | - | spreekt uit | - |
