Übersetzungen für uitspreiden
uitspreiden
hat 5 Bedeutungen, 4 Synonymgruppen & 8 SynonymeNiederländisch Niederländisch
uitspreiden (verspreiden, vleugels, voorwerp, ten toon spreiden, algemeen)
Französisch
uitspreiden Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
répandre
(v)
(verspreiden)
étaler
(v)
(vleugels)
étaler
(v)
(voorwerp)
étaler
(v)
(ten toon spreiden)
disposer
(v)
(vleugels)
disposer
(v)
(voorwerp)
disposer
(v)
(ten toon spreiden)
étendre
(v)
(vleugels)
étendre
(v)
(voorwerp)
étendre
(v)
(ten toon spreiden)
étendre
(v)
(algemeen)
se déployer (v) (vleugels)
se déployer (v) (voorwerp)
se déployer (v) (ten toon spreiden)
diffuser
(v)
(verspreiden)
Italienisch
uitspreiden Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
allargare
(v)
(algemeen)
diffondere
(v)
(verspreiden)
disporre ordinatamente (v) (ten toon spreiden)
disporre ordinatamente (v) (vleugels)
disporre ordinatamente (v) (voorwerp)
distendere
(v)
(algemeen)
sistemare
(v)
(ten toon spreiden)
sistemare
(v)
(vleugels)
sistemare
(v)
(voorwerp)
spargere
(v)
(verspreiden)
spiegare
(v)
(vleugels)
spiegare
(v)
(voorwerp)
spiegare
(v)
(ten toon spreiden)
stendere
(v)
(vleugels)
stendere
(v)
(voorwerp)
stendere
(v)
(ten toon spreiden)
Englisch
uitspreiden Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
splay out (v) (algemeen)
splay
(v)
(algemeen)
spread out (v) (vleugels)
spread out (v) (voorwerp)
diffuse
(v)
(verspreiden)
spread
(v)
(verspreiden)
lay out (v) (ten toon spreiden)
spread out (v) (ten toon spreiden)
Deutsch
uitspreiden Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
spreizen (v) (algemeen)
ausbreiten (v) (vleugels)
ausbreiten (v) (voorwerp)
zerstreuen (v) (verspreiden)
verbreiten (v) (verspreiden)
auslegen (v) (ten toon spreiden)
ausbreiten (v) (ten toon spreiden)
zur Schau stellen (v) (ten toon spreiden)
Spanisch
uitspreiden Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
desplegar
(v)
(vleugels)
desplegar
(v)
(voorwerp)
desplegar
(v)
(ten toon spreiden)
difundir
(v)
(verspreiden)
esparcir
(v)
(verspreiden)
extender
(v)
(vleugels)
extender
(v)
(voorwerp)
extender
(v)
(ten toon spreiden)
extender
(v)
(algemeen)
tender (v) (vleugels)
tender (v) (voorwerp)
tender (v) (ten toon spreiden)
Schwedisch
uitspreiden Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
spänna ut (v) (vleugels)
spänna ut (v) (voorwerp)
spänna ut (v) (ten toon spreiden)
bre ut (v) (vleugels)
bre ut (v) (voorwerp)
bre ut (v) (ten toon spreiden)
lägga ut (v) (vleugels)
lägga ut (v) (voorwerp)
lägga ut (v) (ten toon spreiden)
breda ut (v) (vleugels)
breda ut (v) (voorwerp)
breda ut (v) (ten toon spreiden)
sprida (v) (verspreiden)
spreta med (v) (algemeen)
utbreda (v) (verspreiden)
Portugiesisch
uitspreiden Niederländisch » Portugiesisch
Neues Wort vorschlagen
expor (v) (ten toon spreiden)
expor (v) (vleugels)
expor (v) (voorwerp)
estender (v) (vleugels)
estender (v) (voorwerp)
estender (v) (ten toon spreiden)
mostrar (v) (ten toon spreiden)
mostrar (v) (vleugels)
mostrar (v) (voorwerp)
abrir (v) (algemeen)
abrir (v) (vleugels)
abrir (v) (voorwerp)
abrir (v) (ten toon spreiden)
dispor (v) (ten toon spreiden)
dispor (v) (vleugels)
dispor (v) (voorwerp)
espalhar (v) (algemeen)
espalhar (v) (verspreiden)
difundir (v) (verspreiden)
Verbformen von uitspreiden
| - | uit | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | uitspreidend | und | uitgespreid |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | spreid uit | spreidt uit | spreidt uit | spreiden uit | spreiden uit | spreiden uit |
| Imperfect | spreidde uit | spreidde uit | spreidde uit | spreidden uit | spreidden uit | spreidden uit |
| Toekomende tijd I | zal uitspreiden | zult uitspreiden | zal uitspreiden | zullen uitspreiden | zullen uitspreiden | zullen uitspreiden |
| Conditionalis I | zou uitspreiden | zou uitspreiden | zou uitspreiden | zouden uitspreiden | zouden uitspreiden | zouden uitspreiden |
| Perfectum | heb uitgespreid | hebt uitgespreid | heeft uitgespreid | hebben uitgespreid | hebben uitgespreid | hebben uitgespreid |
| Voltooid verleden tijd | had uitgespreid | had uitgespreid | had uitgespreid | hadden uitgespreid | hadden uitgespreid | hadden uitgespreid |
| Toekomende tijd II | zal uitgespreid hebben | zult uitgespreid hebben | zal uitgespreid hebben | zullen uitgespreid hebben | zullen uitgespreid hebben | zullen uitgespreid hebben |
| Conditionalis II | zou hebben uitgespreid | zou hebben uitgespreid | zou hebben uitgespreid | zouden hebben uitgespreid | zouden hebben uitgespreid | zouden hebben uitgespreid |
| Imperatief | - | spreid uit | - | - | spreidt uit | - |
