Übersetzungen für uithoren
uithoren
hat 2 Bedeutungen, 4 Synonymgruppen & 11 SynonymeNiederländisch Niederländisch
uithoren (geheim, gesprek)
Französisch
uithoren Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
interroger
(v)
(geheim)
questionner
(v)
(geheim)
écouter jusqu'au bout (v) (gesprek)
laisser achever (v) (gesprek)
laisser finir (v) (gesprek)
Italienisch
uithoren Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
ascoltare fino in fondo (v) (gesprek)
interrogare
(v)
(geheim)
lasciar finire (v) (gesprek)
lasciar terminare (v) (gesprek)
torchiare (v) (geheim)
Englisch
uithoren Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
hear out (v) (gesprek)
bear with (v) (gesprek)
let finish (v) (gesprek)
interrogate
(v)
(geheim)
question
(v)
(geheim)
pump
(informal) (v)
(geheim)
Deutsch
uithoren Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
aussprechen lassen (v) (gesprek)
zu Ende reden lassen (v) (gesprek)
ausfragen (v) (geheim)
aushorchen (v) (geheim)
ausquetschen (v) (geheim)
Spanisch
uithoren Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
dejar terminar (v) (gesprek)
escuchar hasta el fin (v) (gesprek)
interrogar
(v)
(geheim)
sacar el buche (v) (geheim)
sonsacar
(v)
(geheim)
Schwedisch
uithoren Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
fråga ut (v) (geheim)
låta tala ut (v) (gesprek)
Portugiesisch
uithoren Niederländisch » Portugiesisch
Neues Wort vorschlagen
escutar (v) (gesprek)
interrogar (v) (geheim)
fazer perguntas sobre (v) (geheim)
deixar falar (v) (gesprek)
deixar terminar (v) (gesprek)
Verbformen von uithoren
| - | uit | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | uithorend | und | uitgehoord |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | hoor uit | hoort uit | hoort uit | horen uit | horen uit | horen uit |
| Imperfect | hoorde uit | hoorde uit | hoorde uit | hoorden uit | hoorden uit | hoorden uit |
| Toekomende tijd I | zal uithoren | zult uithoren | zal uithoren | zullen uithoren | zullen uithoren | zullen uithoren |
| Conditionalis I | zou uithoren | zou uithoren | zou uithoren | zouden uithoren | zouden uithoren | zouden uithoren |
| Perfectum | heb uitgehoord | hebt uitgehoord | heeft uitgehoord | hebben uitgehoord | hebben uitgehoord | hebben uitgehoord |
| Voltooid verleden tijd | had uitgehoord | had uitgehoord | had uitgehoord | hadden uitgehoord | hadden uitgehoord | hadden uitgehoord |
| Toekomende tijd II | zal uitgehoord hebben | zult uitgehoord hebben | zal uitgehoord hebben | zullen uitgehoord hebben | zullen uitgehoord hebben | zullen uitgehoord hebben |
| Conditionalis II | zou hebben uitgehoord | zou hebben uitgehoord | zou hebben uitgehoord | zouden hebben uitgehoord | zouden hebben uitgehoord | zouden hebben uitgehoord |
| Imperatief | - | hoor uit | - | - | hoort uit | - |
