Übersetzungen für uitdagen
uitdagen
hat 2 Bedeutungen, 4 Synonymgruppen & 13 SynonymeNiederländisch Niederländisch
uitdagen (provoceren, ergeren)
Französisch
uitdagen Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
provoquer
(v)
(provoceren)
provoquer
(v)
(ergeren)
inciter à (v) (ergeren)
inciter à (v) (provoceren)
pousser à (v) (ergeren)
pousser à (v) (provoceren)
défier
(v)
(provoceren)
défier
(v)
(ergeren)
mettre au défi (v) (provoceren)
mettre au défi (v) (ergeren)
Italienisch
uitdagen Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
esasperare
(v)
(ergeren)
esasperare
(v)
(provoceren)
irritare
(v)
(ergeren)
irritare
(v)
(provoceren)
provocare
(v)
(ergeren)
provocare
(v)
(provoceren)
sfidare
(v)
(provoceren)
sfidare
(v)
(ergeren)
Englisch
uitdagen Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
Deutsch
uitdagen Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
Spanisch
uitdagen Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
Schwedisch
uitdagen Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
Portugiesisch
uitdagen Niederländisch » Portugiesisch
Neues Wort vorschlagen
provocar (v) (ergeren)
provocar (v) (provoceren)
irritar (v) (ergeren)
irritar (v) (provoceren)
desafiar (v) (provoceren)
desafiar (v) (ergeren)
atrever-se (v) (provoceren)
atrever-se (v) (ergeren)
ousar (v) (provoceren)
ousar (v) (ergeren)
Verbformen von uitdagen
| irr. | uit | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | uitdagend | und | uitgedaagd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | daag uit | daagt uit | daagt uit | dagen uit | dagen uit | dagen uit |
| Imperfect | daagde uit | daagde uit | daagde uit | daagden uit | daagden uit | daagden uit |
| Toekomende tijd I | zal uitdagen | zult uitdagen | zal uitdagen | zullen uitdagen | zullen uitdagen | zullen uitdagen |
| Conditionalis I | zou uitdagen | zou uitdagen | zou uitdagen | zouden uitdagen | zouden uitdagen | zouden uitdagen |
| Perfectum | heb uitgedaagd | hebt uitgedaagd | heeft uitgedaagd | hebben uitgedaagd | hebben uitgedaagd | hebben uitgedaagd |
| Voltooid verleden tijd | had uitgedaagd | had uitgedaagd | had uitgedaagd | hadden uitgedaagd | hadden uitgedaagd | hadden uitgedaagd |
| Toekomende tijd II | zal uitgedaagd hebben | zult uitgedaagd hebben | zal uitgedaagd hebben | zullen uitgedaagd hebben | zullen uitgedaagd hebben | zullen uitgedaagd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben uitgedaagd | zou hebben uitgedaagd | zou hebben uitgedaagd | zouden hebben uitgedaagd | zouden hebben uitgedaagd | zouden hebben uitgedaagd |
| Imperatief | - | daag uit | - | - | daagt uit | - |
