Übersetzungen für treuzelen
treuzelen
hat 3 Bedeutungen, 5 Synonymgruppen & 14 SynonymeNiederländisch Niederländisch
treuzelen (tijd, algemeen, wachten)
Französisch
treuzelen Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
Italienisch
treuzelen Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
attardarsi
(v)
(wachten)
bighellonare
(n)
[m.]
(algemeen)
bighellonare
(v)
[m.]
(tijd)
gingillarsi
(n)
[m.]
(algemeen)
l'andare a zonzo (n) [m.] (algemeen)
sciupare nell'ozio (v) (tijd)
soffermarsi
(v)
(wachten)
sprecare tempo (v) (tijd)
Englisch
treuzelen Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
Deutsch
treuzelen Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
Trödeln (n) [n.] (algemeen)
Bummeln (n) [n.] (algemeen)
verweilen (v) (wachten)
die Zeit vertrödeln (v) (tijd)
die Zeit vergeuden (v) (tijd)
die Zeit verschwenden (v) (tijd)
Spanisch
treuzelen Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
demorarse (v) (wachten)
holgazanería (n) [f.] (algemeen)
matar el tiempo (v) (tijd)
perder el tiempo (v) (tijd)
pérdida de tiempo (n) [f.] (algemeen)
tardar (v) (wachten)
vagancia
(n)
[f.]
(algemeen)
vaguear (v) (tijd)
Schwedisch
treuzelen Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
söleri (n) [n.] (algemeen)
masande (n) [n.] (algemeen)
slå dank (v) (tijd)
förnöta tiden (v) (tijd)
gå och driva (v) (tijd)
dröja kvar (v) (wachten)
Portugiesisch
treuzelen Niederländisch » Portugiesisch
Neues Wort vorschlagen
folga (n) [f.] (algemeen)
ficar (v) (wachten)
malandragem (n) [f.] (algemeen)
gazeta (n) [f.] (algemeen)
vadiar (v) (tijd)
perder tempo (v) (tijd)
vagabundear (v) (tijd)
matar tempo (v) (tijd)
demorar-se (v) (wachten)
retardar a saída (v) (wachten)
Verbformen von treuzelen
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | treuzelend | und | getreuzeld |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | treuzel | treuzelt | treuzelt | treuzelen | treuzelen | treuzelen |
| Imperfect | treuzelde | treuzelde | treuzelde | treuzelden | treuzelden | treuzelden |
| Toekomende tijd I | zal treuzelen | zult treuzelen | zal treuzelen | zullen treuzelen | zullen treuzelen | zullen treuzelen |
| Conditionalis I | zou treuzelen | zou treuzelen | zou treuzelen | zouden treuzelen | zouden treuzelen | zouden treuzelen |
| Perfectum | heb getreuzeld | hebt getreuzeld | heeft getreuzeld | hebben getreuzeld | hebben getreuzeld | hebben getreuzeld |
| Voltooid verleden tijd | had getreuzeld | had getreuzeld | had getreuzeld | hadden getreuzeld | hadden getreuzeld | hadden getreuzeld |
| Toekomende tijd II | zal getreuzeld hebben | zult getreuzeld hebben | zal getreuzeld hebben | zullen getreuzeld hebben | zullen getreuzeld hebben | zullen getreuzeld hebben |
| Conditionalis II | zou hebben getreuzeld | zou hebben getreuzeld | zou hebben getreuzeld | zouden hebben getreuzeld | zouden hebben getreuzeld | zouden hebben getreuzeld |
| Imperatief | - | treuzel | - | - | treuzelt | - |
