Übersetzungen für toneelspelen
toneelspelen
hat 2 Bedeutungen, 3 Synonymgruppen & 6 SynonymeNiederländisch Niederländisch
toneelspelen (theater, bedrog)
Französisch
toneelspelen Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
jouer
(v)
(theater)
interpréter
(v)
(theater)
feindre
(v)
(bedrog)
simuler
(v)
(bedrog)
faire semblant
(v)
(bedrog)
jouer la comédie (v) (bedrog)
jouer le rôle de (v) (theater)
Italienisch
toneelspelen Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
dissimulare
(v)
(bedrog)
far finta di (v) (bedrog)
fingere
(v)
(bedrog)
recitare
(v)
(bedrog)
recitare
(v)
(theater)
simulare
(v)
(bedrog)
Englisch
toneelspelen Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
Deutsch
toneelspelen Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
vorspielen (v) (bedrog)
vorgeben (v) (bedrog)
vortäuschen (v) (bedrog)
tun als ob (v) (bedrog)
simulieren (v) (bedrog)
spielen (v) (theater)
auftreten (v) (theater)
Spanisch
toneelspelen Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
actuar (v) (theater)
actuar (v) (bedrog)
aparentar
(v)
(bedrog)
desempeñar
(v)
(theater)
disimular
(v)
(bedrog)
fingir
(v)
(bedrog)
pretender (v) (bedrog)
representar (v) (theater)
simular
(v)
(bedrog)
Schwedisch
toneelspelen Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
Portugiesisch
toneelspelen Niederländisch » Portugiesisch
Neues Wort vorschlagen
representar (v) (bedrog)
representar (v) (theater)
atuar (v) (theater)
interpretar (v) (theater)
fingir de (v) (bedrog)
disfarçar-se de (v) (bedrog)
simular (v) (bedrog)
fingir (v) (bedrog)
dissimular (v) (bedrog)
fazer um papel de (v) (theater)
Verbformen von toneelspelen
| - | toneel | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | toneelspelend | und | toneelgespeeld |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | speel toneel | speelt toneel | speelt toneel | spelen toneel | spelen toneel | spelen toneel |
| Imperfect | speelde toneel | speelde toneel | speelde toneel | speelden toneel | speelden toneel | speelden toneel |
| Toekomende tijd I | zal toneelspelen | zult toneelspelen | zal toneelspelen | zullen toneelspelen | zullen toneelspelen | zullen toneelspelen |
| Conditionalis I | zou toneelspelen | zou toneelspelen | zou toneelspelen | zouden toneelspelen | zouden toneelspelen | zouden toneelspelen |
| Perfectum | heb toneelgespeeld | hebt toneelgespeeld | heeft toneelgespeeld | hebben toneelgespeeld | hebben toneelgespeeld | hebben toneelgespeeld |
| Voltooid verleden tijd | had toneelgespeeld | had toneelgespeeld | had toneelgespeeld | hadden toneelgespeeld | hadden toneelgespeeld | hadden toneelgespeeld |
| Toekomende tijd II | zal toneelgespeeld hebben | zult toneelgespeeld hebben | zal toneelgespeeld hebben | zullen toneelgespeeld hebben | zullen toneelgespeeld hebben | zullen toneelgespeeld hebben |
| Conditionalis II | zou hebben toneelgespeeld | zou hebben toneelgespeeld | zou hebben toneelgespeeld | zouden hebben toneelgespeeld | zouden hebben toneelgespeeld | zouden hebben toneelgespeeld |
| Imperatief | - | speel toneel | - | - | speelt toneel | - |
