Übersetzungen für toebehoren
toebehoren
hat 3 Bedeutungen, 5 Synonymgruppen & 12 SynonymeNiederländisch Niederländisch
toebehoren (eigendom, algemeen, mechanisch)
Französisch
toebehoren Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
être à (v) (eigendom)
attirail
(n)
[m.]
(algemeen)
attirail
(n)
[m.]
(mechanisch)
bazar
(n)
[m.]
(algemeen)
bazar
(n)
[m.]
(mechanisch)
affaires
(n)
[f.]
(algemeen)
affaires
(n)
[f.]
(mechanisch)
appartenir à (v) (eigendom)
revenir à (v) (eigendom)
appartenir
(v)
(eigendom)
Italienisch
toebehoren Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
accessorio
(n)
[m.]
(algemeen)
accessorio
(n)
[m.]
(mechanisch)
appartenere
(v)
(eigendom)
appartenere a (v) (eigendom)
attrezzatura
(n)
[f.]
(algemeen)
attrezzatura
(n)
[f.]
(mechanisch)
essere di
(v)
(eigendom)
spettare a (v) (eigendom)
Englisch
toebehoren Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
paraphernalia
(n)
(algemeen)
attachments (n) (mechanisch)
accessories
(n)
(mechanisch)
belong to (v) (eigendom)
come to (v) (eigendom)
Deutsch
toebehoren Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
Zubehör (n) [n.] (algemeen)
Zubehör (n) [n.] (mechanisch)
Zubehörteil (n) [n.] (mechanisch)
zustehen (v) (eigendom)
gehören (v) (eigendom)
ein Anrecht haben auf (v) (eigendom)
Spanisch
toebehoren Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
accesorio
(n)
[m.]
(algemeen)
accesorio
(n)
[m.]
(mechanisch)
corresponder a (v) (eigendom)
pertenecer a (v) (eigendom)
Schwedisch
toebehoren Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
Portugiesisch
toebehoren Niederländisch » Portugiesisch
Neues Wort vorschlagen
pertencer a (v) (eigendom)
equipamento (n) [m.] (algemeen)
equipamento (n) [m.] (mechanisch)
ser de (v) (eigendom)
ser propriedade de (v) (eigendom)
parafernália (n) [f.] (algemeen)
parafernália (n) [f.] (mechanisch)
Verbformen von toebehoren
| - | toe | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | toebehorend | und | toebehoord |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | behoor toe | behoort toe | behoort toe | behoren toe | behoren toe | behoren toe |
| Imperfect | behoorde toe | behoorde toe | behoorde toe | behoorden toe | behoorden toe | behoorden toe |
| Toekomende tijd I | zal toebehoren | zult toebehoren | zal toebehoren | zullen toebehoren | zullen toebehoren | zullen toebehoren |
| Conditionalis I | zou toebehoren | zou toebehoren | zou toebehoren | zouden toebehoren | zouden toebehoren | zouden toebehoren |
| Perfectum | heb toebehoord | hebt toebehoord | heeft toebehoord | hebben toebehoord | hebben toebehoord | hebben toebehoord |
| Voltooid verleden tijd | had toebehoord | had toebehoord | had toebehoord | hadden toebehoord | hadden toebehoord | hadden toebehoord |
| Toekomende tijd II | zal toebehoord hebben | zult toebehoord hebben | zal toebehoord hebben | zullen toebehoord hebben | zullen toebehoord hebben | zullen toebehoord hebben |
| Conditionalis II | zou hebben toebehoord | zou hebben toebehoord | zou hebben toebehoord | zouden hebben toebehoord | zouden hebben toebehoord | zouden hebben toebehoord |
| Imperatief | - | behoor toe | - | - | behoort toe | - |
