Übersetzungen für tegenspreken
tegenspreken
hat 2 Bedeutungen, 3 Synonymgruppen & 8 SynonymeNiederländisch Niederländisch
tegenspreken (algemeen, onderwijs)
Französisch
tegenspreken Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
répondre
(v)
(algemeen)
répondre
(v)
(onderwijs)
contredire
(v)
(algemeen)
contredire
(v)
(onderwijs)
démentir
(v)
(algemeen)
démentir
(v)
(onderwijs)
Italienisch
tegenspreken Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
contraddire
(v)
(algemeen)
rispondere male (v) (algemeen)
rispondere male (v) (onderwijs)
smentire
(v)
(algemeen)
smentire
(v)
(onderwijs)
Englisch
tegenspreken Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
Deutsch
tegenspreken Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
widersprechen (v) (algemeen)
nicht entsprechen (v) (algemeen)
bestreiten (v) (algemeen)
leugnen (v) (algemeen)
widersprechen (v) (onderwijs)
Widerworte haben (v) (onderwijs)
Spanisch
tegenspreken Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
contestar mal (v) (algemeen)
contestar mal (v) (onderwijs)
contradecir (v) (algemeen)
contradecir (v) (onderwijs)
desmentir
(v)
(algemeen)
desmentir
(v)
(onderwijs)
replicar
(v)
(algemeen)
replicar
(v)
(onderwijs)
Schwedisch
tegenspreken Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
förneka (v) (algemeen)
strida mot (v) (algemeen)
strida mot (v) (onderwijs)
bestrida (v) (algemeen)
motsäga (v) (algemeen)
motsäga (v) (onderwijs)
svara emot (v) (algemeen)
svara emot (v) (onderwijs)
käfta emot (v) (algemeen)
käfta emot (v) (onderwijs)
Portugiesisch
tegenspreken Niederländisch » Portugiesisch
Neues Wort vorschlagen
contradizer (v) (algemeen)
desmentir (v) (algemeen)
ocultar (v) (algemeen)
ocultar (v) (onderwijs)
esconder (v) (algemeen)
esconder (v) (onderwijs)
contrariar (v) (algemeen)
contrariar (v) (onderwijs)
disfarçar (v) (algemeen)
disfarçar (v) (onderwijs)
responder mal (v) (algemeen)
responder mal (v) (onderwijs)
Verbformen von tegenspreken
| - | tegen | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | tegensprekend | und | tegengesproken |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | spreek tegen | spreekt tegen | spreekt tegen | spreken tegen | spreken tegen | spreken tegen |
| Imperfect | sprak tegen | sprak tegen | sprak tegen | spraken tegen | spraken tegen | spraken tegen |
| Toekomende tijd I | zal tegenspreken | zult tegenspreken | zal tegenspreken | zullen tegenspreken | zullen tegenspreken | zullen tegenspreken |
| Conditionalis I | zou tegenspreken | zou tegenspreken | zou tegenspreken | zouden tegenspreken | zouden tegenspreken | zouden tegenspreken |
| Perfectum | heb tegengesproken | hebt tegengesproken | heeft tegengesproken | hebben tegengesproken | hebben tegengesproken | hebben tegengesproken |
| Voltooid verleden tijd | had tegengesproken | had tegengesproken | had tegengesproken | hadden tegengesproken | hadden tegengesproken | hadden tegengesproken |
| Toekomende tijd II | zal tegengesproken hebben | zult tegengesproken hebben | zal tegengesproken hebben | zullen tegengesproken hebben | zullen tegengesproken hebben | zullen tegengesproken hebben |
| Conditionalis II | zou hebben tegengesproken | zou hebben tegengesproken | zou hebben tegengesproken | zouden hebben tegengesproken | zouden hebben tegengesproken | zouden hebben tegengesproken |
| Imperatief | - | spreek tegen | - | - | spreekt tegen | - |
