Übersetzungen für spreken
spreken
hat 5 Bedeutungen, 5 Synonymgruppen & 24 SynonymeNiederländisch Niederländisch
spreken (woorden, toespraak, aktie, taal, een gesprek voeren)
Französisch
spreken Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
articuler
(v)
(woorden)
prononcer
(v)
(woorden)
réciter
(v)
(toespraak)
déclamer
(v)
(toespraak)
parole
(n)
[f.]
(aktie)
parler de (v) (toespraak)
parler de (v) (woorden)
parler de (v) (taal)
parler de (v) (een gesprek voeren)
prononcer une allocution (v) (toespraak)
prononcer une allocution (v) (woorden)
prononcer une allocution (v) (taal)
prononcer une allocution (v) (een gesprek voeren)
converser
(v)
(een gesprek voeren)
converser
(v)
(woorden)
converser
(v)
(toespraak)
converser
(v)
(taal)
s'entretenir avec (v) (een gesprek voeren)
s'entretenir avec (v) (woorden)
s'entretenir avec (v) (toespraak)
s'entretenir avec (v) (taal)
parler avec (v) (een gesprek voeren)
parler avec (v) (woorden)
parler avec (v) (toespraak)
parler avec (v) (taal)
dialoguer
(v)
(een gesprek voeren)
dialoguer
(v)
(woorden)
dialoguer
(v)
(toespraak)
dialoguer
(v)
(taal)
parler
(v)
[m.]
(woorden)
parler
(v)
[m.]
(een gesprek voeren)
parler
(v)
[m.]
(toespraak)
parler
(v)
[m.]
(taal)
Italienisch
spreken Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
articolare
(v)
(woorden)
conversare
(v)
(een gesprek voeren)
conversare
(v)
(toespraak)
conversare
(v)
(woorden)
conversare
(v)
(taal)
declamare
(v)
(toespraak)
discorrere
(v)
(een gesprek voeren)
discorrere
(v)
(toespraak)
discorrere
(v)
(woorden)
discorrere
(v)
(taal)
parlare
(v)
[m.]
(woorden)
parlare
(v)
[m.]
(een gesprek voeren)
parlare
(v)
[m.]
(toespraak)
parlare
(v)
[m.]
(taal)
parlare in modo retorico (v) (toespraak)
parola
(n)
[f.]
(aktie)
pronunciare
(v)
(woorden)
pronunciare bene (v) (woorden)
pronunziare (v) (woorden)
tenere un discorso (v) (toespraak)
tenere un discorso (v) (woorden)
tenere un discorso (v) (taal)
tenere un discorso (v) (een gesprek voeren)
Englisch
spreken Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
speech
(n)
(aktie)
speak
(v)
(toespraak)
make a speech (v) (toespraak)
pronounce
(v)
(woorden)
speak
(v)
(woorden)
talk
(v)
(woorden)
speak
(v)
(taal)
converse
(formal) (v)
(een gesprek voeren)
have a conversation (v) (een gesprek voeren)
Deutsch
spreken Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
Sprechen (n) [n.] (aktie)
sprechen (v) (toespraak)
eine Rede halten (v) (toespraak)
einen Vortrag halten (v) (toespraak)
aussprechen (v) (woorden)
sprechen (v) (woorden)
reden (v) (woorden)
sprechen (v) (taal)
sich unterhalten (v) (een gesprek voeren)
parlieren (v) (een gesprek voeren)
sprechen (v) (een gesprek voeren)
reden (v) (een gesprek voeren)
Spanisch
spreken Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
articular
(v)
(woorden)
conversar (v) (een gesprek voeren)
conversar (v) (woorden)
conversar (v) (toespraak)
conversar (v) (taal)
declamar
(v)
(toespraak)
dialogar (v) (een gesprek voeren)
dialogar (v) (woorden)
dialogar (v) (toespraak)
dialogar (v) (taal)
enunciar (v) (woorden)
habla
(n)
[m.]
(aktie)
hablar (v) (woorden)
hablar (v) (een gesprek voeren)
hablar (v) (toespraak)
hablar (v) (taal)
orar
(v)
(toespraak)
pronunciar (v) (woorden)
pronunciar un discurso (v) (toespraak)
pronunciar un discurso (v) (woorden)
pronunciar un discurso (v) (taal)
pronunciar un discurso (v) (een gesprek voeren)
recitar
(v)
(toespraak)
sermonear (v) (toespraak)
Schwedisch
spreken Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
tal (n) [n.] (aktie)
artikulera (v) (woorden)
uttala (v) (woorden)
tala tydligt (v) (woorden)
deklamera (v) (toespraak)
tala högt (v) (toespraak)
hålla tal (v) (toespraak)
hålla tal (v) (woorden)
hålla tal (v) (taal)
hålla tal (v) (een gesprek voeren)
talande (n) [n.] (aktie)
tala (v) (toespraak)
tala (v) (woorden)
tala (v) (taal)
tala (v) (een gesprek voeren)
konversera (v) (toespraak)
konversera (v) (woorden)
konversera (v) (taal)
konversera (v) (een gesprek voeren)
samtala (v) (toespraak)
samtala (v) (woorden)
samtala (v) (taal)
samtala (v) (een gesprek voeren)
prata (v) (toespraak)
prata (v) (woorden)
prata (v) (taal)
prata (v) (een gesprek voeren)
Portugiesisch
spreken Niederländisch » Portugiesisch
Neues Wort vorschlagen
discurso (n) [m.] (aktie)
articular (v) (woorden)
pronunciar (v) (woorden)
declamar (v) (toespraak)
fazer discurso (v) (toespraak)
discursar (v) (toespraak)
orar (v) (toespraak)
falar (v) (woorden)
falar (v) (een gesprek voeren)
falar (v) (toespraak)
falar (v) (taal)
pronunciar-se (v) (toespraak)
pronunciar-se (v) (woorden)
pronunciar-se (v) (taal)
pronunciar-se (v) (een gesprek voeren)
fazer um discurso (v) (toespraak)
fazer um discurso (v) (woorden)
fazer um discurso (v) (taal)
fazer um discurso (v) (een gesprek voeren)
fazer um pronunciamento (v) (toespraak)
fazer um pronunciamento (v) (woorden)
fazer um pronunciamento (v) (taal)
fazer um pronunciamento (v) (een gesprek voeren)
conversar (v) (woorden)
conversar (v) (een gesprek voeren)
conversar (v) (toespraak)
conversar (v) (taal)
ter uma conversa (v) (een gesprek voeren)
ter uma conversa (v) (toespraak)
ter uma conversa (v) (woorden)
ter uma conversa (v) (taal)
fala (n) [f.] (aktie)
Verbformen von spreken
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | sprekend | und | gesproken |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | spreek | spreekt | spreekt | spreken | spreken | spreken |
| Imperfect | sprak | sprak | sprak | spraken | spraken | spraken |
| Toekomende tijd I | zal spreken | zult spreken | zal spreken | zullen spreken | zullen spreken | zullen spreken |
| Conditionalis I | zou spreken | zou spreken | zou spreken | zouden spreken | zouden spreken | zouden spreken |
| Perfectum | heb gesproken | hebt gesproken | heeft gesproken | hebben gesproken | hebben gesproken | hebben gesproken |
| Voltooid verleden tijd | had gesproken | had gesproken | had gesproken | hadden gesproken | hadden gesproken | hadden gesproken |
| Toekomende tijd II | zal gesproken hebben | zult gesproken hebben | zal gesproken hebben | zullen gesproken hebben | zullen gesproken hebben | zullen gesproken hebben |
| Conditionalis II | zou hebben gesproken | zou hebben gesproken | zou hebben gesproken | zouden hebben gesproken | zouden hebben gesproken | zouden hebben gesproken |
| Imperatief | - | spreek | - | - | spreekt | - |
