Übersetzungen für passen

Suchbegriff:

passen

  hat 6 Bedeutungen, 5 Synonymgruppen & 13 Synonyme

Niederländisch Niederländisch

passen (betamen, kleding, grootte, voorwerpen, tijd, gedrag)

Französisch passen Niederländisch » Französisch Neues Wort vorschlagen

aller (v) (betamen)

aller (v) (kleding)

aller (v) (grootte)

aller (v) (voorwerpen)

aller (v) (tijd)

convenir (v) (tijd)

convenir (v) (kleding)

convenir (v) (grootte)

convenir (v) (voorwerpen)

convenir à (v) (betamen)

être approprié à (v) (betamen)

être ajusté (v) (grootte)

être ajusté (v) (voorwerpen)

être ajusté (v) (tijd)

être ajusté (v) (kleding)

Italienisch passen Niederländisch » Italienisch Neues Wort vorschlagen

addirsi a (v) (betamen)

andare bene (v) (grootte)

andare bene (v) (voorwerpen)

andare bene (v) (tijd)

andare bene (v) (kleding)

andare bene a (v) (grootte)

andare bene a (v) (voorwerpen)

andare bene a (v) (tijd)

andare bene a (v) (kleding)

confarsi a (v) (betamen)

convenire a (v) (betamen)

convenirsi a (v) (betamen)

donare (v) (grootte)

donare (v) (voorwerpen)

donare (v) (tijd)

donare (v) (kleding)

stare bene (v) (grootte)

stare bene (v) (voorwerpen)

stare bene (v) (tijd)

stare bene (v) (kleding)

Englisch passen Niederländisch » Englisch Neues Wort vorschlagen

fit (v) (grootte)

fit (v) (voorwerpen)

suit (v) (tijd)

be convenient for (v) (tijd)

fit (v) (kleding)

suit (v) (kleding)

become (v) (gedrag)

befit (v) (gedrag)

behoove (v) (gedrag)

behove (v) (gedrag)

suit (v) (betamen)

fit (v) (betamen)

befit (v) (betamen)

become (formal) (v) (betamen)

Deutsch passen Niederländisch » Deutsch Neues Wort vorschlagen

passen (v) (grootte)

passen (v) (voorwerpen)

passen (v) (tijd)

gelegen kommen (v) (tijd)

passen (v) (kleding)

gut stehen (v) (kleding)

sich schicken (v) (gedrag)

sich ziemen (v) (gedrag)

sich gebühren (v) (gedrag)

passend sein (v) (betamen)

geeignet sein (v) (betamen)

Spanisch passen Niederländisch » Spanisch Neues Wort vorschlagen

convenir a (v) (betamen)

convenir a (v) (tijd)

convenir a (v) (grootte)

convenir a (v) (voorwerpen)

convenir a (v) (kleding)

corresponder a (v) (betamen)

encajar (v) (grootte)

encajar (v) (voorwerpen)

encajar (v) (tijd)

encajar (v) (kleding)

entallar (v) (grootte)

entallar (v) (voorwerpen)

entallar (v) (tijd)

entallar (v) (kleding)

favorecer (v) (kleding)

favorecer (v) (grootte)

favorecer (v) (voorwerpen)

favorecer (v) (tijd)

sentar (v) (kleding)

sentar (v) (grootte)

sentar (v) (voorwerpen)

sentar (v) (tijd)

ser conveniente para (v) (tijd)

ser conveniente para (v) (grootte)

ser conveniente para (v) (voorwerpen)

ser conveniente para (v) (kleding)

ser propio de (v) (betamen)

venir bien a (v) (tijd)

venir bien a (v) (grootte)

venir bien a (v) (voorwerpen)

venir bien a (v) (kleding)

Schwedisch passen Niederländisch » Schwedisch Neues Wort vorschlagen

passa (v) (grootte)

passa (v) (voorwerpen)

passa (v) (tijd)

passa (v) (kleding)

passa (v) (betamen)

anstå (v) (betamen)

vara lämplig (v) (betamen)

gå bra (v) (grootte)

gå bra (v) (voorwerpen)

gå bra (v) (tijd)

gå bra (v) (kleding)

passar (v) (grootte)

passar (v) (voorwerpen)

passar (v) (tijd)

passar (v) (kleding)

sitta bra (v) (grootte)

sitta bra (v) (voorwerpen)

sitta bra (v) (tijd)

sitta bra (v) (kleding)

Portugiesisch passen Niederländisch » Portugiesisch Neues Wort vorschlagen

servir (v) (grootte)

servir (v) (voorwerpen)

servir (v) (tijd)

servir (v) (kleding)

adequar-se (v) (betamen)

ser apropriado para (v) (betamen)

caber (v) (grootte)

caber (v) (voorwerpen)

caber (v) (tijd)

caber (v) (kleding)

encaixar-se (v) (betamen)

ser conveniente para (v) (grootte)

ser conveniente para (v) (voorwerpen)

ser conveniente para (v) (tijd)

ser conveniente para (v) (kleding)

ser conveniente para (v) (betamen)

cair bem (v) (grootte)

cair bem (v) (voorwerpen)

cair bem (v) (tijd)

cair bem (v) (kleding)

vestir bem (v) (grootte)

vestir bem (v) (voorwerpen)

vestir bem (v) (tijd)

vestir bem (v) (kleding)

encaixar (v) (grootte)

encaixar (v) (voorwerpen)

encaixar (v) (tijd)

encaixar (v) (kleding)

     

Verbformen von passen

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord passend und gepast
  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens pas past past passen passen passen
Imperfect paste paste paste pasten pasten pasten
Toekomende tijd I zal passen zult passen zal passen zullen passen zullen passen zullen passen
Conditionalis I zou passen zou passen zou passen zouden passen zouden passen zouden passen
Perfectum heb gepast hebt gepast heeft gepast hebben gepast hebben gepast hebben gepast
Voltooid verleden tijd had gepast had gepast had gepast hadden gepast hadden gepast hadden gepast
Toekomende tijd II zal gepast hebben zult gepast hebben zal gepast hebben zullen gepast hebben zullen gepast hebben zullen gepast hebben
Conditionalis II zou hebben gepast zou hebben gepast zou hebben gepast zouden hebben gepast zouden hebben gepast zouden hebben gepast
Imperatief - pas - - past -
passen - Niederländisch Wörterbuch | Übersetzung - passen übersetzen