Übersetzungen für ontroeren
ontroeren
hat Eine Bedeutung, 4 Synonymgruppen & 12 SynonymeNiederländisch Niederländisch
ontroeren (gevoelens)
Französisch
ontroeren Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
toucher
(v)
[m.]
(gevoelens)
offenser
(v)
(gevoelens)
émouvoir
(v)
(gevoelens)
bouleverser
(v)
(gevoelens)
consterner
(v)
(gevoelens)
exciter la pitié (v) (gevoelens)
ébranler
(v)
(gevoelens)
choquer
(v)
(gevoelens)
Italienisch
ontroeren Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
commuovere
(v)
(gevoelens)
costernare
(v)
(gevoelens)
intenerire (v) (gevoelens)
scioccare (v) (gevoelens)
sconvolgere
(v)
(gevoelens)
scuotere
(v)
(gevoelens)
sgomentare
(v)
(gevoelens)
spaventare
(v)
(gevoelens)
toccare
(v)
(gevoelens)
Englisch
ontroeren Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
Deutsch
ontroeren Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
Spanisch
ontroeren Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
aterrar
(v)
(gevoelens)
conmocionar a (v) (gevoelens)
conmover
(v)
(gevoelens)
enternecer
(v)
(gevoelens)
impresionar (v) (gevoelens)
ofender (v) (gevoelens)
producir una conmoción (v) (gevoelens)
repugnar
(v)
(gevoelens)
Schwedisch
ontroeren Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
Portugiesisch
ontroeren Niederländisch » Portugiesisch
Neues Wort vorschlagen
tocar (v) (gevoelens)
chocar (v) (gevoelens)
mexer com (v) (gevoelens)
comover (v) (gevoelens)
impressionar (v) (gevoelens)
pasmar (v) (gevoelens)
mexer (v) (gevoelens)
abalar (v) (gevoelens)
estarrecer (v) (gevoelens)
Verbformen von ontroeren
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | ontroerend | und | ontroerd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | ontroer | ontroert | ontroert | ontroeren | ontroeren | ontroeren |
| Imperfect | ontroerde | ontroerde | ontroerde | ontroerden | ontroerden | ontroerden |
| Toekomende tijd I | zal ontroeren | zult ontroeren | zal ontroeren | zullen ontroeren | zullen ontroeren | zullen ontroeren |
| Conditionalis I | zou ontroeren | zou ontroeren | zou ontroeren | zouden ontroeren | zouden ontroeren | zouden ontroeren |
| Perfectum | heb ontroerd | hebt ontroerd | heeft ontroerd | hebben ontroerd | hebben ontroerd | hebben ontroerd |
| Voltooid verleden tijd | had ontroerd | had ontroerd | had ontroerd | hadden ontroerd | hadden ontroerd | hadden ontroerd |
| Toekomende tijd II | zal ontroerd hebben | zult ontroerd hebben | zal ontroerd hebben | zullen ontroerd hebben | zullen ontroerd hebben | zullen ontroerd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben ontroerd | zou hebben ontroerd | zou hebben ontroerd | zouden hebben ontroerd | zouden hebben ontroerd | zouden hebben ontroerd |
| Imperatief | - | ontroer | - | - | ontroert | - |
