Übersetzungen für leven

Suchbegriff:

leven

  hat 4 Bedeutungen, 5 Synonymgruppen & 11 Synonyme

Niederländisch Niederländisch

leven (algemeen, zijn, verblijfplaats, persoon)

Französisch leven Niederländisch » Französisch Neues Wort vorschlagen

être (n) [m.] (algemeen)

être (n) [m.] (zijn)

habiter (v) (verblijfplaats)

habiter (v) (persoon)

demeurer (v) (verblijfplaats)

demeurer (v) (persoon)

résider (v) (verblijfplaats)

résider (v) (persoon)

vivre (v) (verblijfplaats)

vivre (v) (persoon)

vie (n) [f.] (algemeen)

vie (n) [f.] (zijn)

Italienisch leven Niederländisch » Italienisch Neues Wort vorschlagen

abitare (v) (verblijfplaats)

abitare (v) (persoon)

dimorare (v) (verblijfplaats)

dimorare (v) (persoon)

esistenza (n) [f.] (algemeen)

esistenza (n) [f.] (zijn)

essere (n) [m.] (algemeen)

essere (n) [m.] (zijn)

essere in vita (v) (verblijfplaats)

essere in vita (v) (persoon)

risiedere (v) (verblijfplaats)

risiedere (v) (persoon)

vita (n) [f.] (algemeen)

vita (n) [f.] (zijn)

vivere (v) (verblijfplaats)

vivere (v) (persoon)

Englisch leven Niederländisch » Englisch Neues Wort vorschlagen

life (n) (algemeen)

being (n) (zijn)

existing (n) (zijn)

living (n) (zijn)

live (v) (verblijfplaats)

reside (formal) (v) (verblijfplaats)

dwell (literature) (v) (verblijfplaats)

live (v) (persoon)

be alive (v) (persoon)

Deutsch leven Niederländisch » Deutsch Neues Wort vorschlagen

Leben (n) [n.] (algemeen)

Leben (n) [n.] (zijn)

Sein (n) [n.] (zijn)

wohnen (v) (verblijfplaats)

leben (v) (verblijfplaats)

leben (v) (persoon)

Spanisch leven Niederländisch » Spanisch Neues Wort vorschlagen

estar vivo (v) (verblijfplaats)

estar vivo (v) (persoon)

existencia (n) [f.] (algemeen)

existencia (n) [f.] (zijn)

habitar (v) (verblijfplaats)

habitar (v) (persoon)

residir (v) (verblijfplaats)

residir (v) (persoon)

vida (n) [f.] (algemeen)

vida (n) [f.] (zijn)

vivir (v) (verblijfplaats)

vivir (v) (persoon)

Schwedisch leven Niederländisch » Schwedisch Neues Wort vorschlagen

liv (n) [n.] (algemeen)

liv (n) [n.] (zijn)

bo (v) (verblijfplaats)

bo (v) (persoon)

vara bosatt (v) (verblijfplaats)

vara bosatt (v) (persoon)

leva (v) (verblijfplaats)

leva (v) (persoon)

Portugiesisch leven Niederländisch » Portugiesisch Neues Wort vorschlagen

existir (n) [m.] (algemeen)

existir (n) [m.] (zijn)

habitar (v) (verblijfplaats)

habitar (v) (persoon)

morar (v) (verblijfplaats)

morar (v) (persoon)

viver (n) [m.] (algemeen)

viver (n) [m.] (zijn)

viver (v) [m.] (verblijfplaats)

viver (v) [m.] (persoon)

ser (n) [m.] (algemeen)

ser (n) [m.] (zijn)

estar vivo (v) (verblijfplaats)

estar vivo (v) (persoon)

vida (n) [f.] (algemeen)

vida (n) [f.] (zijn)

     

Verbformen von leven

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord levend und geleefd
  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens leef leeft leeft leven leven leven
Imperfect leefde leefde leefde leefden leefden leefden
Toekomende tijd I zal leven zult leven zal leven zullen leven zullen leven zullen leven
Conditionalis I zou leven zou leven zou leven zouden leven zouden leven zouden leven
Perfectum heb geleefd hebt geleefd heeft geleefd hebben geleefd hebben geleefd hebben geleefd
Voltooid verleden tijd had geleefd had geleefd had geleefd hadden geleefd hadden geleefd hadden geleefd
Toekomende tijd II zal geleefd hebben zult geleefd hebben zal geleefd hebben zullen geleefd hebben zullen geleefd hebben zullen geleefd hebben
Conditionalis II zou hebben geleefd zou hebben geleefd zou hebben geleefd zouden hebben geleefd zouden hebben geleefd zouden hebben geleefd
Imperatief - leef - - leeft -
leven - Niederländisch Wörterbuch | Übersetzung - leven übersetzen