Übersetzungen für gelijkmaken
gelijkmaken
hat 2 BedeutungenNiederländisch Niederländisch
gelijkmaken (algemeen, gelijkstellen)
Französisch
gelijkmaken Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
Italienisch
gelijkmaken Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
eguagliare
(v)
(algemeen)
pareggiamento (n) [m.] (gelijkstellen)
uguagliamento
(n)
[m.]
(gelijkstellen)
uguagliare
(v)
(algemeen)
Englisch
gelijkmaken Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
equation
(n)
(gelijkstellen)
equalization
(n)
(gelijkstellen)
equate
(v)
(algemeen)
equalize
(v)
(algemeen)
Deutsch
gelijkmaken Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
Gleichung (n) [f.] (gelijkstellen)
Gleichstellung (n) [f.] (gelijkstellen)
gleichsetzen (v) (algemeen)
gleichmachen (v) (algemeen)
Spanisch
gelijkmaken Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
ecuación
(n)
[f.]
(gelijkstellen)
equiparar
(v)
(algemeen)
igualación (n) [f.] (gelijkstellen)
igualamiento (n) [m.] (gelijkstellen)
igualar
(v)
(algemeen)
nivelar
(v)
(algemeen)
Schwedisch
gelijkmaken Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
utjämnande (n) [n.] (gelijkstellen)
likställa (v) (algemeen)
jämställa (v) (algemeen)
likställande (n) [n.] (gelijkstellen)
Portugiesisch
gelijkmaken Niederländisch » Portugiesisch
Neues Wort vorschlagen
igualar (v) (algemeen)
equiparar (v) (algemeen)
igualdade (n) [f.] (gelijkstellen)
equalização (n) [f.] (gelijkstellen)
Verbformen von gelijkmaken
| - | gelijk | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | gelijkmakend | und | gelijkgemaakt |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | maak gelijk | maakt gelijk | maakt gelijk | maken gelijk | maken gelijk | maken gelijk |
| Imperfect | maakte gelijk | maakte gelijk | maakte gelijk | maakten gelijk | maakten gelijk | maakten gelijk |
| Toekomende tijd I | zal gelijkmaken | zult gelijkmaken | zal gelijkmaken | zullen gelijkmaken | zullen gelijkmaken | zullen gelijkmaken |
| Conditionalis I | zou gelijkmaken | zou gelijkmaken | zou gelijkmaken | zouden gelijkmaken | zouden gelijkmaken | zouden gelijkmaken |
| Perfectum | heb gelijkgemaakt | hebt gelijkgemaakt | heeft gelijkgemaakt | hebben gelijkgemaakt | hebben gelijkgemaakt | hebben gelijkgemaakt |
| Voltooid verleden tijd | had gelijkgemaakt | had gelijkgemaakt | had gelijkgemaakt | hadden gelijkgemaakt | hadden gelijkgemaakt | hadden gelijkgemaakt |
| Toekomende tijd II | zal gelijkgemaakt hebben | zult gelijkgemaakt hebben | zal gelijkgemaakt hebben | zullen gelijkgemaakt hebben | zullen gelijkgemaakt hebben | zullen gelijkgemaakt hebben |
| Conditionalis II | zou hebben gelijkgemaakt | zou hebben gelijkgemaakt | zou hebben gelijkgemaakt | zouden hebben gelijkgemaakt | zouden hebben gelijkgemaakt | zouden hebben gelijkgemaakt |
| Imperatief | - | maak gelijk | - | - | maakt gelijk | - |
