Übersetzungen für forceren
forceren
hat 3 Bedeutungen, 5 Synonymgruppen & 10 SynonymeNiederländisch Niederländisch
forceren (openen, dwingen, afdwingen)
Französisch
forceren Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
forcer
(v)
(openen)
forcer
(v)
(dwingen)
imposer
(v)
(afdwingen)
imposer
(v)
(dwingen)
infliger
(v)
(afdwingen)
faire observer (v) (afdwingen)
forcer à exécuter (v) (afdwingen)
contraindre
(v)
(dwingen)
obliger
(v)
(dwingen)
Italienisch
forceren Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
costringere
(v)
(dwingen)
costringere a (v) (afdwingen)
far osservare (v) (afdwingen)
forzare
(v)
(openen)
forzare
(v)
(dwingen)
imporre
(v)
(afdwingen)
imporre
(v)
(dwingen)
obbligare
(v)
(dwingen)
vincolare
(v)
(dwingen)
Englisch
forceren Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
Deutsch
forceren Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
aufbrechen (v) (openen)
zwingen (v) (dwingen)
pressen (v) (dwingen)
nötigen (v) (dwingen)
drängen (v) (dwingen)
erzwingen (v) (dwingen)
verpflichten (v) (dwingen)
aufzwingen (v) (afdwingen)
auferlegen (v) (afdwingen)
in Kraft setzen (v) (afdwingen)
Spanisch
forceren Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
abrir a la fuerza (v) (openen)
compeler (v) (dwingen)
constreñir (v) (dwingen)
forzar
(v)
(openen)
forzar
(v)
(dwingen)
forzar a (v) (dwingen)
hacer cumplir (v) (afdwingen)
hacer respetar (v) (afdwingen)
imponer
(v)
(afdwingen)
imponer
(v)
(dwingen)
obligar (v) (dwingen)
obligar a (v) (dwingen)
Schwedisch
forceren Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
driva (v) (dwingen)
tvinga (v) (openen)
tvinga (v) (dwingen)
bryta upp (v) (openen)
bända upp (v) (openen)
påtvinga (v) (afdwingen)
framtvinga (v) (dwingen)
framtvinga (v) (afdwingen)
tvinga fram (v) (afdwingen)
pressa (v) (dwingen)
binda (v) (dwingen)
förplikta (v) (dwingen)
betvinga (v) (dwingen)
Portugiesisch
forceren Niederländisch » Portugiesisch
Neues Wort vorschlagen
Verbformen von forceren
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | forcerend | und | geforceerd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | forceer | forceert | forceert | forceren | forceren | forceren |
| Imperfect | forceerde | forceerde | forceerde | forceerden | forceerden | forceerden |
| Toekomende tijd I | zal forceren | zult forceren | zal forceren | zullen forceren | zullen forceren | zullen forceren |
| Conditionalis I | zou forceren | zou forceren | zou forceren | zouden forceren | zouden forceren | zouden forceren |
| Perfectum | heb geforceerd | hebt geforceerd | heeft geforceerd | hebben geforceerd | hebben geforceerd | hebben geforceerd |
| Voltooid verleden tijd | had geforceerd | had geforceerd | had geforceerd | hadden geforceerd | hadden geforceerd | hadden geforceerd |
| Toekomende tijd II | zal geforceerd hebben | zult geforceerd hebben | zal geforceerd hebben | zullen geforceerd hebben | zullen geforceerd hebben | zullen geforceerd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben geforceerd | zou hebben geforceerd | zou hebben geforceerd | zouden hebben geforceerd | zouden hebben geforceerd | zouden hebben geforceerd |
| Imperatief | - | forceer | - | - | forceert | - |
