Übersetzungen für fonkelen

Suchbegriff:

fonkelen

  hat 3 Bedeutungen, 5 Synonymgruppen & 18 Synonyme

Niederländisch Niederländisch

fonkelen (licht, juwelen, schitteren)

Französisch fonkelen Niederländisch » Französisch Neues Wort vorschlagen

clignoter (v) (licht)

scintiller (v) (licht)

scintiller (v) (juwelen)

scintiller (v) (schitteren)

briller (v) (juwelen)

briller (v) (schitteren)

étinceler (v) (juwelen)

étinceler (v) (schitteren)

Italienisch fonkelen Niederländisch » Italienisch Neues Wort vorschlagen

brillare (v) (juwelen)

brillare (v) (schitteren)

lampeggiare (v) (licht)

luccicare (v) (juwelen)

luccicare (v) (schitteren)

scintillare (v) (juwelen)

scintillare (v) (schitteren)

scintillare (v) (licht)

sfavillare (v) (juwelen)

sfavillare (v) (schitteren)

Englisch fonkelen Niederländisch » Englisch Neues Wort vorschlagen

flash (v) (juwelen)

sparkle (v) (juwelen)

twinkle (v) (licht)

scintillate (v) (schitteren)

sparkle (v) (schitteren)

Deutsch fonkelen Niederländisch » Deutsch Neues Wort vorschlagen

funkeln (v) (juwelen)

glitzern (v) (juwelen)

blinken (v) (licht)

funkeln (v) (schitteren)

glitzern (v) (schitteren)

Spanisch fonkelen Niederländisch » Spanisch Neues Wort vorschlagen

brillar (v) (juwelen)

brillar (v) (schitteren)

centellar (v) (juwelen)

centellar (v) (schitteren)

centellear (v) (licht)

centellear (v) (juwelen)

centellear (v) (schitteren)

chispear (v) (juwelen)

chispear (v) (schitteren)

oscilar (v) (licht)

Schwedisch fonkelen Niederländisch » Schwedisch Neues Wort vorschlagen

blinka (v) (licht)

tindra (v) (juwelen)

tindra (v) (licht)

tindra (v) (schitteren)

glittra (v) (juwelen)

glittra (v) (schitteren)

gnistra (v) (juwelen)

gnistra (v) (schitteren)

Portugiesisch fonkelen Niederländisch » Portugiesisch Neues Wort vorschlagen

piscar (v) (licht)

cintilar (v) (juwelen)

cintilar (v) (schitteren)

cintilar (v) (licht)

oscilar (v) (licht)

reluzir (v) [m.] (juwelen)

reluzir (v) [m.] (schitteren)

chispar (v) (juwelen)

chispar (v) (schitteren)

soltar faíscas (v) (juwelen)

soltar faíscas (v) (schitteren)

faiscar (v) (juwelen)

faiscar (v) (schitteren)

     

Verbformen von fonkelen

def. -
Tegenwoordig en verleden deelwoord fonkelend und gefonkeld
  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens - - fonkelt - - fonkelen
Imperfect - - fonkelde - - fonkelden
Toekomende tijd I - - zal fonkelen - - zult fonkelen
Conditionalis I - - zal fonkelen - - zullen fonkelen
Perfectum - - heeft gefonkeld - - hebben gefonkeld
Voltooid verleden tijd - - had gefonkeld - - hadden gefonkeld
Toekomende tijd II - - zal gefonkeld hebben - - zult gefonkeld hebben
Conditionalis II - - zal hebben gefonkeld - - zullen hebben gefonkeld
Imperatief - - - - - -
fonkelen - Niederländisch Wörterbuch | Übersetzung - fonkelen übersetzen