Verbformen von flappen

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord flappend und geflapt

  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens flap flapt flapt flappen flappen flappen
Imperfect flapte flapte flapte flapten flapten flapten
Toekomende tijd I zal flappen zult flappen zal flappen zullen flappen zullen flappen zullen flappen
Conditionalis I zou flappen zou flappen zou flappen zouden flappen zouden flappen zouden flappen
Perfectum heb geflapt hebt geflapt heeft geflapt hebben geflapt hebben geflapt hebben geflapt
Voltooid verleden tijd had geflapt had geflapt had geflapt hadden geflapt hadden geflapt hadden geflapt
Toekomende tijd II zal geflapt hebben zult geflapt hebben zal geflapt hebben zullen geflapt hebben zullen geflapt hebben zullen geflapt hebben
Conditionalis II zou hebben geflapt zou hebben geflapt zou hebben geflapt zouden hebben geflapt zouden hebben geflapt zouden hebben geflapt
Imperatief - flap - - flapt -
flappen - Niederländisch Wörterbuch | Übersetzung - flappen übersetzen

Top Suchbegriffe Wörterbuch Deutsch

1 - 200 · 201 - 1000 · 1001 - 2000 · 2001 - 3000 · 3001 - 4000 · 4001 - 5000 · 5001 - 7000 · 7001 - 10000 · 10001 - 20000 · 20001 - 50000