Übersetzungen für disputeren
disputeren
hat 2 Bedeutungen, eine Synonymgruppe & 3 SynonymeNiederländisch Niederländisch
disputeren (bespreken, woorden)
Französisch
disputeren Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
argumenter
(v)
(bespreken)
argumenter
(v)
(woorden)
débattre
(v)
(bespreken)
débattre
(v)
(woorden)
discuter
(v)
(bespreken)
discuter
(v)
(woorden)
se quereller (v) (woorden)
se quereller (v) (bespreken)
se disputer (v) (woorden)
se disputer (v) (bespreken)
se chamailler (v) (woorden)
se chamailler (v) (bespreken)
Italienisch
disputeren Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
bisticciare
(v)
(woorden)
bisticciare
(v)
(bespreken)
dibattere
(v)
(woorden)
dibattere
(v)
(bespreken)
discutere
(v)
(woorden)
discutere
(v)
(bespreken)
disputare
(v)
(woorden)
disputare
(v)
(bespreken)
litigare
(v)
(woorden)
litigare
(v)
(bespreken)
Englisch
disputeren Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
Deutsch
disputeren Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
zanken (v) (woorden)
streiten (v) (woorden)
diskutieren (v) (woorden)
sich zanken (v) (woorden)
sich streiten (v) (woorden)
diskutieren (v) (bespreken)
debattieren (v) (bespreken)
besprechen (v) (bespreken)
Spanisch
disputeren Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
Schwedisch
disputeren Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
argumentera (v) (woorden)
argumentera (v) (bespreken)
diskutera (v) (woorden)
diskutera (v) (bespreken)
debattera (v) (woorden)
debattera (v) (bespreken)
gnabbas (v) (woorden)
gnabbas (v) (bespreken)
käbbla (v) (woorden)
käbbla (v) (bespreken)
träta (v) (woorden)
träta (v) (bespreken)
tvista (v) (woorden)
tvista (v) (bespreken)
gräla (v) (woorden)
gräla (v) (bespreken)
Verbformen von disputeren
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | disputerend | und | gedisputeerd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | disputeer | disputeert | disputeert | disputeren | disputeren | disputeren |
| Imperfect | disputeerde | disputeerde | disputeerde | disputeerden | disputeerden | disputeerden |
| Toekomende tijd I | zal disputeren | zult disputeren | zal disputeren | zullen disputeren | zullen disputeren | zullen disputeren |
| Conditionalis I | zou disputeren | zou disputeren | zou disputeren | zouden disputeren | zouden disputeren | zouden disputeren |
| Perfectum | heb gedisputeerd | hebt gedisputeerd | heeft gedisputeerd | hebben gedisputeerd | hebben gedisputeerd | hebben gedisputeerd |
| Voltooid verleden tijd | had gedisputeerd | had gedisputeerd | had gedisputeerd | hadden gedisputeerd | hadden gedisputeerd | hadden gedisputeerd |
| Toekomende tijd II | zal gedisputeerd hebben | zult gedisputeerd hebben | zal gedisputeerd hebben | zullen gedisputeerd hebben | zullen gedisputeerd hebben | zullen gedisputeerd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben gedisputeerd | zou hebben gedisputeerd | zou hebben gedisputeerd | zouden hebben gedisputeerd | zouden hebben gedisputeerd | zouden hebben gedisputeerd |
| Imperatief | - | disputeer | - | - | disputeert | - |
