Übersetzungen für bouwen
bouwen
hat 3 Bedeutungen, 5 Synonymgruppen & 21 SynonymeNiederländisch Niederländisch
bouwen (fabriceren, opbouwen, activiteit)
Französisch
bouwen Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
fabriquer
(v)
(fabriceren)
manufacturer
(v)
(fabriceren)
produire
(v)
(fabriceren)
bâtir
(v)
(opbouwen)
construction
(n)
[f.]
(activiteit)
construire
(v)
(opbouwen)
Italienisch
bouwen Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
costruire
(v)
(opbouwen)
costruire
(v)
(fabriceren)
costruzione
(n)
[f.]
(activiteit)
erigere
(v)
(opbouwen)
fabbricare
(v)
(fabriceren)
produrre
(v)
(fabriceren)
Englisch
bouwen Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
construction
(n)
(activiteit)
building
(n)
(activiteit)
construct
(v)
(opbouwen)
build
(v)
(opbouwen)
fabricate
(v)
(fabriceren)
manufacture
(v)
(fabriceren)
build
(v)
(fabriceren)
Deutsch
bouwen Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
Bau (n) [m.] (activiteit)
Bauen (n) [n.] (activiteit)
bauen (v) (opbouwen)
erbauen (v) (opbouwen)
herstellen (v) (fabriceren)
fertigen (v) (fabriceren)
anfertigen (v) (fabriceren)
produzieren (v) (fabriceren)
Spanisch
bouwen Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
construcción (n) [f.] (activiteit)
construir (v) (fabriceren)
construir (v) (opbouwen)
edificar
(v)
(opbouwen)
fabricar (v) (fabriceren)
manufacturar
(v)
(fabriceren)
Schwedisch
bouwen Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
tillverka (v) (fabriceren)
producera (v) (fabriceren)
sätta ihop (v) (fabriceren)
hopsätta (v) (fabriceren)
konstruera (v) (opbouwen)
bygga (v) (opbouwen)
Portugiesisch
bouwen Niederländisch » Portugiesisch
Neues Wort vorschlagen
fabricar (v) (fabriceren)
manufaturar (v) (fabriceren)
fazer (v) (fabriceren)
construir (v) (opbouwen)
edificar (v) (opbouwen)
construção (n) [f.] (activiteit)
erguer (v) (opbouwen)
Verbformen von bouwen
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | bouwend | und | gebouwd |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | bouw | bouwt | bouwt | bouwen | bouwen | bouwen |
| Imperfect | bouwde | bouwde | bouwde | bouwden | bouwden | bouwden |
| Toekomende tijd I | zal bouwen | zult bouwen | zal bouwen | zullen bouwen | zullen bouwen | zullen bouwen |
| Conditionalis I | zou bouwen | zou bouwen | zou bouwen | zouden bouwen | zouden bouwen | zouden bouwen |
| Perfectum | heb gebouwd | hebt gebouwd | heeft gebouwd | hebben gebouwd | hebben gebouwd | hebben gebouwd |
| Voltooid verleden tijd | had gebouwd | had gebouwd | had gebouwd | hadden gebouwd | hadden gebouwd | hadden gebouwd |
| Toekomende tijd II | zal gebouwd hebben | zult gebouwd hebben | zal gebouwd hebben | zullen gebouwd hebben | zullen gebouwd hebben | zullen gebouwd hebben |
| Conditionalis II | zou hebben gebouwd | zou hebben gebouwd | zou hebben gebouwd | zouden hebben gebouwd | zouden hebben gebouwd | zouden hebben gebouwd |
| Imperatief | - | bouw | - | - | bouwt | - |
