Übersetzungen für blameren

Suchbegriff:

blameren

  hat Eine Bedeutung, 2 Synonymgruppen & 6 Synonyme

Niederländisch Niederländisch

blameren (afkeuring)

Französisch blameren Niederländisch » Französisch Neues Wort vorschlagen

réprimander (v) (afkeuring)

blâmer (v) (afkeuring)

gronder (v) (afkeuring)

blâmer publiquement (v) (afkeuring)

critiquer sévèrement (v) (afkeuring)

Italienisch blameren Niederländisch » Italienisch Neues Wort vorschlagen

ammonire (v) (afkeuring)

biasimare (v) (afkeuring)

disapprovare (v) (afkeuring)

rimproverare (v) (afkeuring)

riprendere (v) (afkeuring)

Englisch blameren Niederländisch » Englisch Neues Wort vorschlagen

reprimand (v) (afkeuring)

Deutsch blameren Niederländisch » Deutsch Neues Wort vorschlagen

einen Verweis erteilen (v) (afkeuring)

tadeln (v) (afkeuring)

Spanisch blameren Niederländisch » Spanisch Neues Wort vorschlagen

exhortar (v) (afkeuring)

reconvenir (v) (afkeuring)

regañar (v) (afkeuring)

reprender (v) (afkeuring)

reprobar (v) (afkeuring)

reñir (v) (afkeuring)

Schwedisch blameren Niederländisch » Schwedisch Neues Wort vorschlagen

skälla ut (v) (afkeuring)

läxa upp (v) (afkeuring)

tillrättavisa (v) (afkeuring)

ge en reprimand (v) (afkeuring)

skarpt tillrättavisa (v) (afkeuring)

förmana (v) (afkeuring)

banna (v) (afkeuring)

Portugiesisch blameren Niederländisch » Portugiesisch Neues Wort vorschlagen

censurar (v) (afkeuring)

reprovar (v) (afkeuring)

repreender (v) (afkeuring)

reprochar (v) (afkeuring)

     

Verbformen von blameren

- -
Tegenwoordig en verleden deelwoord blamerend und geblameerd
  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens blameer blameert blameert blameren blameren blameren
Imperfect blameerde blameerde blameerde blameerden blameerden blameerden
Toekomende tijd I zal blameren zult blameren zal blameren zullen blameren zullen blameren zullen blameren
Conditionalis I zou blameren zou blameren zou blameren zouden blameren zouden blameren zouden blameren
Perfectum heb geblameerd hebt geblameerd heeft geblameerd hebben geblameerd hebben geblameerd hebben geblameerd
Voltooid verleden tijd had geblameerd had geblameerd had geblameerd hadden geblameerd hadden geblameerd hadden geblameerd
Toekomende tijd II zal geblameerd hebben zult geblameerd hebben zal geblameerd hebben zullen geblameerd hebben zullen geblameerd hebben zullen geblameerd hebben
Conditionalis II zou hebben geblameerd zou hebben geblameerd zou hebben geblameerd zouden hebben geblameerd zouden hebben geblameerd zouden hebben geblameerd
Imperatief - blameer - - blameert -
blameren - Niederländisch Wörterbuch | Übersetzung - blameren übersetzen