Übersetzungen für besparen
besparen
hat 3 Bedeutungen, 4 Synonymgruppen & 14 SynonymeNiederländisch Niederländisch
besparen (moeilijkheden, geld, tijd)
Französisch
besparen Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
éviter
(v)
(moeilijkheden)
éviter
(v)
(geld)
éviter
(v)
(tijd)
épargner
(v)
(moeilijkheden)
épargner
(v)
(geld)
épargner
(v)
(tijd)
économiser
(v)
(moeilijkheden)
économiser
(v)
(geld)
économiser
(v)
(tijd)
gagner
(v)
(moeilijkheden)
gagner
(v)
(geld)
gagner
(v)
(tijd)
Italienisch
besparen Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
economizzare
(v)
(moeilijkheden)
economizzare
(v)
(geld)
economizzare
(v)
(tijd)
guadagnare
(v)
(moeilijkheden)
guadagnare
(v)
(geld)
guadagnare
(v)
(tijd)
risparmiare
(v)
(moeilijkheden)
risparmiare
(v)
(geld)
risparmiare
(v)
(tijd)
Englisch
besparen Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
Deutsch
besparen Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
Spanisch
besparen Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
ahorrar (v) (moeilijkheden)
ahorrar (v) (geld)
ahorrar (v) (tijd)
economizar
(v)
(moeilijkheden)
economizar
(v)
(geld)
economizar
(v)
(tijd)
evitar (v) (moeilijkheden)
evitar (v) (geld)
evitar (v) (tijd)
ganar (v) (moeilijkheden)
ganar (v) (geld)
ganar (v) (tijd)
Schwedisch
besparen Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
Portugiesisch
besparen Niederländisch » Portugiesisch
Neues Wort vorschlagen
economizar (v) (moeilijkheden)
economizar (v) (geld)
economizar (v) (tijd)
ganhar (v) (moeilijkheden)
ganhar (v) (geld)
ganhar (v) (tijd)
poupar (v) (moeilijkheden)
poupar (v) (geld)
poupar (v) (tijd)
Verbformen von besparen
| - | - | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | besparend | und | bespaard |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | bespaar | bespaart | bespaart | besparen | besparen | besparen |
| Imperfect | bespaarde | bespaarde | bespaarde | bespaarden | bespaarden | bespaarden |
| Toekomende tijd I | zal besparen | zult besparen | zal besparen | zullen besparen | zullen besparen | zullen besparen |
| Conditionalis I | zou besparen | zou besparen | zou besparen | zouden besparen | zouden besparen | zouden besparen |
| Perfectum | heb bespaard | hebt bespaard | heeft bespaard | hebben bespaard | hebben bespaard | hebben bespaard |
| Voltooid verleden tijd | had bespaard | had bespaard | had bespaard | hadden bespaard | hadden bespaard | hadden bespaard |
| Toekomende tijd II | zal bespaard hebben | zult bespaard hebben | zal bespaard hebben | zullen bespaard hebben | zullen bespaard hebben | zullen bespaard hebben |
| Conditionalis II | zou hebben bespaard | zou hebben bespaard | zou hebben bespaard | zouden hebben bespaard | zouden hebben bespaard | zouden hebben bespaard |
| Imperatief | - | bespaar | - | - | bespaart | - |
