Übersetzungen für afwisselen
afwisselen
hat 2 Bedeutungen, 3 Synonymgruppen & 8 SynonymeNiederländisch Niederländisch
afwisselen (algemeen, variëren)
Französisch
afwisselen Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
alterner
(v)
(algemeen)
varier
(v)
(variëren)
produit
(n)
[m.]
(algemeen)
diversifier
(v)
(variëren)
rotation
(n)
[f.]
(algemeen)
succession tour à tour (n) [f.] (algemeen)
Italienisch
afwisselen Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
alternare
(v)
(algemeen)
conseguenza
(n)
[f.]
(algemeen)
diversificare
(v)
(variëren)
prodotto
(n)
[m.]
(algemeen)
risultato
(n)
[m.]
(algemeen)
rotazione
(n)
[f.]
(algemeen)
variare
(v)
(variëren)
Englisch
afwisselen Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
Deutsch
afwisselen Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
Folge (n) [f.] (algemeen)
sich abwechseln (v) (algemeen)
abwechseln (v) (algemeen)
diversifizieren (v) (variëren)
variieren (v) (variëren)
Spanisch
afwisselen Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
alternar
(v)
(algemeen)
consecuencia (n) [f.] (algemeen)
diversificar (v) (variëren)
resultado (n) [m.] (algemeen)
rotación
(n)
[f.]
(algemeen)
variar (v) (variëren)
Schwedisch
afwisselen Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
alternera (v) (algemeen)
omväxla (v) (algemeen)
differentiera (v) (variëren)
diversifiera (v) (variëren)
variera (v) (variëren)
Portugiesisch
afwisselen Niederländisch » Portugiesisch
Neues Wort vorschlagen
alternar (v) (algemeen)
variar (v) (variëren)
resultado (n) [m.] (algemeen)
conseqüência (n) [f.] (algemeen)
produto (n) [m.] (algemeen)
diversificar (v) (variëren)
rotação (n) [f.] (algemeen)
Verbformen von afwisselen
| - | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afwisselend | und | afgewisseld |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | wissel af | wisselt af | wisselt af | wisselen af | wisselen af | wisselen af |
| Imperfect | wisselde af | wisselde af | wisselde af | wisselden af | wisselden af | wisselden af |
| Toekomende tijd I | zal afwisselen | zult afwisselen | zal afwisselen | zullen afwisselen | zullen afwisselen | zullen afwisselen |
| Conditionalis I | zou afwisselen | zou afwisselen | zou afwisselen | zouden afwisselen | zouden afwisselen | zouden afwisselen |
| Perfectum | heb afgewisseld | hebt afgewisseld | heeft afgewisseld | hebben afgewisseld | hebben afgewisseld | hebben afgewisseld |
| Voltooid verleden tijd | had afgewisseld | had afgewisseld | had afgewisseld | hadden afgewisseld | hadden afgewisseld | hadden afgewisseld |
| Toekomende tijd II | zal afgewisseld hebben | zult afgewisseld hebben | zal afgewisseld hebben | zullen afgewisseld hebben | zullen afgewisseld hebben | zullen afgewisseld hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgewisseld | zou hebben afgewisseld | zou hebben afgewisseld | zouden hebben afgewisseld | zouden hebben afgewisseld | zouden hebben afgewisseld |
| Imperatief | - | wissel af | - | - | wisselt af | - |
