Übersetzungen für afspreken

Suchbegriff:

afspreken

  hat 2 Bedeutungen, 2 Synonymgruppen & 8 Synonyme

Niederländisch Niederländisch

afspreken (plannen, verkiezing)

Französisch afspreken Niederländisch » Französisch Neues Wort vorschlagen

régler (v) (plannen)

arrêter (v) (plannen)

truquer (v) (verkiezing)

convenir de (v) (plannen)

s'entendre sur (v) (plannen)

Italienisch afspreken Niederländisch » Italienisch Neues Wort vorschlagen

combinare (v) (plannen)

decidere (v) (plannen)

mettersi d'accordo (v) (plannen)

organizzare (v) (plannen)

truccare (v) (verkiezing)

Englisch afspreken Niederländisch » Englisch Neues Wort vorschlagen

arrange (v) (plannen)

settle (v) (plannen)

decide on (v) (plannen)

fix (v) (plannen)

fix (v) (verkiezing)

Deutsch afspreken Niederländisch » Deutsch Neues Wort vorschlagen

verabreden (v) (plannen)

vereinbaren (v) (plannen)

manipulieren (v) (verkiezing)

Spanisch afspreken Niederländisch » Spanisch Neues Wort vorschlagen

amañar (v) (verkiezing)

arreglar (v) (plannen)

planear (v) (plannen)

planificar (v) (plannen)

Schwedisch afspreken Niederländisch » Schwedisch Neues Wort vorschlagen

göra upp (v) (verkiezing)

fixa (v) (verkiezing)

avtala (v) (plannen)

komma överens om (v) (plannen)

Portugiesisch afspreken Niederländisch » Portugiesisch Neues Wort vorschlagen

combinar (v) (plannen)

planejar (v) (plannen)

fazer um arranjo (v) (verkiezing)

decidir sobre (v) (plannen)

     

Verbformen von afspreken

irr. af
Tegenwoordig en verleden deelwoord afsprekend und afgesproken
  Ich Du Er/Sie/Es Wir Ihr Sie
Presens spreek af spreekt af spreekt af spreken af spreken af spreken af
Imperfect sprak af sprak af sprak af spraken af spraken af spraken af
Toekomende tijd I zal afspreken zult afspreken zal afspreken zullen afspreken zullen afspreken zullen afspreken
Conditionalis I zou afspreken zou afspreken zou afspreken zouden afspreken zouden afspreken zouden afspreken
Perfectum heb afgesproken hebt afgesproken heeft afgesproken hebben afgesproken hebben afgesproken hebben afgesproken
Voltooid verleden tijd had afgesproken had afgesproken had afgesproken hadden afgesproken hadden afgesproken hadden afgesproken
Toekomende tijd II zal afgesproken hebben zult afgesproken hebben zal afgesproken hebben zullen afgesproken hebben zullen afgesproken hebben zullen afgesproken hebben
Conditionalis II zou hebben afgesproken zou hebben afgesproken zou hebben afgesproken zouden hebben afgesproken zouden hebben afgesproken zouden hebben afgesproken
Imperatief - spreek af - - spreekt af -
afspreken - Niederländisch Wörterbuch | Übersetzung - afspreken übersetzen