Übersetzungen für afbreken
afbreken
hat 10 Bedeutungen, 5 Synonymgruppen & 12 SynonymeNiederländisch Niederländisch
afbreken (scheiden, onderhandeling, relatie, telefoon, voorwerpen, gebouw, koord, kleineren, linguïstiek, chemie)
Französisch
afbreken Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
rompre
(v)
(scheiden)
rompre
(v)
(onderhandeling)
rompre
(v)
(relatie)
rompre
(v)
(telefoon)
rompre
(v)
(voorwerpen)
casser
(v)
(scheiden)
casser
(v)
(onderhandeling)
casser
(v)
(relatie)
casser
(v)
(telefoon)
casser
(v)
(voorwerpen)
couper
(v)
(scheiden)
couper
(v)
(onderhandeling)
couper
(v)
(relatie)
couper
(v)
(telefoon)
couper
(v)
(voorwerpen)
interrompre
(v)
(scheiden)
interrompre
(v)
(onderhandeling)
interrompre
(v)
(relatie)
interrompre
(v)
(telefoon)
interrompre
(v)
(voorwerpen)
se casser net (v) (scheiden)
se casser net (v) (onderhandeling)
se casser net (v) (relatie)
se casser net (v) (telefoon)
se casser net (v) (voorwerpen)
se briser net (v) (scheiden)
se briser net (v) (onderhandeling)
se briser net (v) (relatie)
se briser net (v) (telefoon)
se briser net (v) (voorwerpen)
abattre
(v)
(gebouw)
se rompre (v) (koord)
se casser (v) (koord)
dénigrer
(v)
(kleineren)
détruire
(v)
(gebouw)
raser
(v)
(gebouw)
démolir
(v)
(gebouw)
jeter à bas (v) (gebouw)
humilier
(v)
(kleineren)
rabaisser
(v)
(kleineren)
mettre un trait d'union (v) (linguïstiek)
décomposer
(v)
(chemie)
Italienisch
afbreken Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
abbattere
(v)
(gebouw)
decomporre
(v)
(chemie)
demolire
(v)
(gebouw)
deprezzare
(v)
(kleineren)
distruggere
(v)
(gebouw)
interrompere
(v)
(telefoon)
interrompere
(v)
(scheiden)
interrompere
(v)
(onderhandeling)
interrompere
(v)
(relatie)
interrompere
(v)
(voorwerpen)
radere al suolo (v) (gebouw)
rompere
(v)
(scheiden)
rompere
(v)
(onderhandeling)
rompere
(v)
(relatie)
rompere
(v)
(telefoon)
rompere
(v)
(voorwerpen)
rompersi di netto (v) (scheiden)
rompersi di netto (v) (onderhandeling)
rompersi di netto (v) (relatie)
rompersi di netto (v) (telefoon)
rompersi di netto (v) (voorwerpen)
screditare
(v)
(kleineren)
scrivere con un trattino (v) (linguïstiek)
spezzarsi
(v)
(koord)
spezzarsi
(v)
(scheiden)
spezzarsi
(v)
(onderhandeling)
spezzarsi
(v)
(relatie)
spezzarsi
(v)
(telefoon)
spezzarsi
(v)
(voorwerpen)
tagliare
(v)
(scheiden)
tagliare
(v)
(onderhandeling)
tagliare
(v)
(relatie)
tagliare
(v)
(telefoon)
tagliare
(v)
(voorwerpen)
tagliarsi
(v)
(koord)
Englisch
afbreken Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
break off
(v)
(scheiden)
break off
(v)
(onderhandeling)
sever
(v)
(koord)
break
(v)
(koord)
break off
(v)
(relatie)
cut off
(v)
(telefoon)
interrupt
(v)
(telefoon)
demolish
(v)
(gebouw)
tear down
(v)
(gebouw)
break down (v) (gebouw)
destroy
(v)
(gebouw)
knock down (v) (gebouw)
pull down
(v)
(gebouw)
snap off (v) (voorwerpen)
hyphenate
(v)
(linguïstiek)
decompose
(v)
(chemie)
cry down
(v)
(kleineren)
disparage
(v)
(kleineren)
belittle
(v)
(kleineren)
denigrate
(v)
(kleineren)
Deutsch
afbreken Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
abbrechen (v) (scheiden)
abbrechen (v) (onderhandeling)
reißen (v) (koord)
abreißen (v) (koord)
abbrechen (v) (relatie)
abbrechen (v) (telefoon)
unterbrechen (v) (telefoon)
zerstören (v) (gebouw)
niederreißen (v) (gebouw)
demolieren (v) (gebouw)
abbrechen (v) (voorwerpen)
mit Bindestrich schreiben (v) (linguïstiek)
zersetzen (v) (chemie)
schmälern (v) (kleineren)
herabsetzen (v) (kleineren)
heruntersetzen (v) (kleineren)
Spanisch
afbreken Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
arrasar
(v)
(gebouw)
cortar (v) (scheiden)
cortar (v) (onderhandeling)
cortar (v) (relatie)
cortar (v) (telefoon)
cortar (v) (voorwerpen)
cortarse (v) (koord)
demoler
(v)
(gebouw)
derribar
(v)
(gebouw)
desacreditar
(v)
(kleineren)
descomponer
(v)
(chemie)
despreciar (v) (kleineren)
desprender
(v)
(scheiden)
desprender
(v)
(onderhandeling)
desprender
(v)
(relatie)
desprender
(v)
(telefoon)
desprender
(v)
(voorwerpen)
destruir (v) (gebouw)
destruir completamente (v) (gebouw)
eliminar
(v)
(gebouw)
escribir con guión (v) (linguïstiek)
interrumpir (v) (scheiden)
interrumpir (v) (onderhandeling)
interrumpir (v) (relatie)
interrumpir (v) (telefoon)
interrumpir (v) (voorwerpen)
menospreciar
(v)
(kleineren)
partirse (v) (scheiden)
partirse (v) (onderhandeling)
partirse (v) (relatie)
partirse (v) (telefoon)
partirse (v) (voorwerpen)
romper (v) (scheiden)
romper (v) (onderhandeling)
romper (v) (relatie)
romper (v) (telefoon)
romper (v) (voorwerpen)
romperse (v) (scheiden)
romperse (v) (onderhandeling)
romperse (v) (relatie)
romperse (v) (telefoon)
romperse (v) (voorwerpen)
romperse (v) (koord)
suspender (v) (scheiden)
suspender (v) (onderhandeling)
suspender (v) (relatie)
suspender (v) (telefoon)
suspender (v) (voorwerpen)
terminar (v) (scheiden)
terminar (v) (onderhandeling)
terminar (v) (relatie)
terminar (v) (telefoon)
terminar (v) (voorwerpen)
Schwedisch
afbreken Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
bryta av (v) (scheiden)
bryta av (v) (onderhandeling)
bryta av (v) (relatie)
bryta av (v) (telefoon)
bryta av (v) (voorwerpen)
bryta (v) (scheiden)
bryta (v) (onderhandeling)
bryta (v) (relatie)
bryta (v) (telefoon)
bryta (v) (voorwerpen)
avbryta (v) (scheiden)
avbryta (v) (onderhandeling)
avbryta (v) (relatie)
avbryta (v) (telefoon)
avbryta (v) (voorwerpen)
slå upp (v) (scheiden)
slå upp (v) (onderhandeling)
slå upp (v) (relatie)
slå upp (v) (telefoon)
slå upp (v) (voorwerpen)
brytas av (v) (scheiden)
brytas av (v) (onderhandeling)
brytas av (v) (relatie)
brytas av (v) (telefoon)
brytas av (v) (voorwerpen)
brista (v) (scheiden)
brista (v) (onderhandeling)
brista (v) (koord)
brista (v) (relatie)
brista (v) (telefoon)
brista (v) (voorwerpen)
springa av (v) (scheiden)
springa av (v) (onderhandeling)
springa av (v) (relatie)
springa av (v) (telefoon)
springa av (v) (voorwerpen)
lösa upp (v) (chemie)
nedvärdera (v) (kleineren)
rasera (v) (gebouw)
jämna med marken (v) (gebouw)
förstöra (v) (gebouw)
demolera (v) (gebouw)
riva ned (v) (gebouw)
nedsätta (v) (kleineren)
racka ner på (v) (kleineren)
skriva med bindestreck (v) (linguïstiek)
sönderdela (v) (chemie)
Portugiesisch
afbreken Niederländisch » Portugiesisch
Neues Wort vorschlagen
quebrar (v) (scheiden)
quebrar (v) (onderhandeling)
quebrar (v) (relatie)
quebrar (v) (telefoon)
quebrar (v) (voorwerpen)
romper (v) (scheiden)
romper (v) (onderhandeling)
romper (v) (relatie)
romper (v) (telefoon)
romper (v) (voorwerpen)
cortar (v) (scheiden)
cortar (v) (onderhandeling)
cortar (v) (relatie)
cortar (v) (telefoon)
cortar (v) (voorwerpen)
interromper (v) (telefoon)
interromper (v) (scheiden)
interromper (v) (onderhandeling)
interromper (v) (relatie)
interromper (v) (voorwerpen)
suspender (v) (scheiden)
suspender (v) (onderhandeling)
suspender (v) (relatie)
suspender (v) (telefoon)
suspender (v) (voorwerpen)
terminar (v) (scheiden)
terminar (v) (onderhandeling)
terminar (v) (relatie)
terminar (v) (telefoon)
terminar (v) (voorwerpen)
partir (v) (koord)
partir (v) (scheiden)
partir (v) (onderhandeling)
partir (v) (relatie)
partir (v) (telefoon)
partir (v) (voorwerpen)
romper-se (v) (koord)
arrebentar (v) (koord)
derrubar (v) (gebouw)
depreciar (v) (kleineren)
denegrir (v) (kleineren)
difamar (v) (kleineren)
decompor (v) (chemie)
destruir (v) (gebouw)
demolir (v) (gebouw)
arrasar (v) (gebouw)
pôr abaixo (v) (gebouw)
hifenizar (v) (linguïstiek)
Verbformen von afbreken
| irr. | af | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | afbrekend | und | afgebroken |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | breek af | breekt af | breekt af | breken af | breken af | breken af |
| Imperfect | brak af | brak af | brak af | braken af | braken af | braken af |
| Toekomende tijd I | zal afbreken | zult afbreken | zal afbreken | zullen afbreken | zullen afbreken | zullen afbreken |
| Conditionalis I | zou afbreken | zou afbreken | zou afbreken | zouden afbreken | zouden afbreken | zouden afbreken |
| Perfectum | heb afgebroken | hebt afgebroken | heeft afgebroken | hebben afgebroken | hebben afgebroken | hebben afgebroken |
| Voltooid verleden tijd | had afgebroken | had afgebroken | had afgebroken | hadden afgebroken | hadden afgebroken | hadden afgebroken |
| Toekomende tijd II | zal afgebroken hebben | zult afgebroken hebben | zal afgebroken hebben | zullen afgebroken hebben | zullen afgebroken hebben | zullen afgebroken hebben |
| Conditionalis II | zou hebben afgebroken | zou hebben afgebroken | zou hebben afgebroken | zouden hebben afgebroken | zouden hebben afgebroken | zouden hebben afgebroken |
| Imperatief | - | breek af | - | - | breekt af | - |
