Übersetzungen für aanspreken
aanspreken
hat 3 Bedeutungen, 5 Synonymgruppen & 11 SynonymeNiederländisch Niederländisch
aanspreken (algemeen, vragen, prostitutie)
Französisch
aanspreken Niederländisch » Französisch
Neues Wort vorschlagen
Italienisch
aanspreken Niederländisch » Italienisch
Neues Wort vorschlagen
andare a genio a (v) (algemeen)
andare a genio a (v) (vragen)
caduto
(v)
(algemeen)
piacere a (v) (algemeen)
piacere a (v) (vragen)
rivolgersi a
(v)
(vragen)
rivolgersi a
(v)
(algemeen)
Englisch
aanspreken Niederländisch » Englisch
Neues Wort vorschlagen
Deutsch
aanspreken Niederländisch » Deutsch
Neues Wort vorschlagen
ansprechen (v) (algemeen)
gefallen (v) (algemeen)
sich anbieten (v) (prostitutie)
sich wenden an (v) (vragen)
ansprechen (v) (vragen)
Spanisch
aanspreken Niederländisch » Spanisch
Neues Wort vorschlagen
atraer a (v) (algemeen)
atraer a (v) (vragen)
caído
(v)
(algemeen)
dirigirse a (v) (algemeen)
dirigirse a (v) (vragen)
Schwedisch
aanspreken Niederländisch » Schwedisch
Neues Wort vorschlagen
tilltala (v) (algemeen)
tilltala (v) (vragen)
falla i smaken (v) (algemeen)
falla i smaken (v) (vragen)
tala med (v) (algemeen)
tala med (v) (vragen)
göra vissa trevare hos (v) (algemeen)
göra vissa trevare hos (v) (vragen)
fallen (v) (algemeen)
Portugiesisch
aanspreken Niederländisch » Portugiesisch
Neues Wort vorschlagen
atrair (v) (algemeen)
atrair (v) (vragen)
invocar (v) (algemeen)
invocar (v) (vragen)
dirigir-se a (v) (vragen)
dirigir-se a (v) (algemeen)
caído (v) (algemeen)
Verbformen von aanspreken
| irr. | aan | ||
| Tegenwoordig en verleden deelwoord | aansprekend | und | aangesproken |
| Ich | Du | Er/Sie/Es | Wir | Ihr | Sie | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Presens | spreek aan | spreekt aan | spreekt aan | spreken aan | spreken aan | spreken aan |
| Imperfect | sprak aan | sprak aan | sprak aan | spraken aan | spraken aan | spraken aan |
| Toekomende tijd I | zal aanspreken | zult aanspreken | zal aanspreken | zullen aanspreken | zullen aanspreken | zullen aanspreken |
| Conditionalis I | zou aanspreken | zou aanspreken | zou aanspreken | zouden aanspreken | zouden aanspreken | zouden aanspreken |
| Perfectum | heb aangesproken | hebt aangesproken | heeft aangesproken | hebben aangesproken | hebben aangesproken | hebben aangesproken |
| Voltooid verleden tijd | had aangesproken | had aangesproken | had aangesproken | hadden aangesproken | hadden aangesproken | hadden aangesproken |
| Toekomende tijd II | zal aangesproken hebben | zult aangesproken hebben | zal aangesproken hebben | zullen aangesproken hebben | zullen aangesproken hebben | zullen aangesproken hebben |
| Conditionalis II | zou hebben aangesproken | zou hebben aangesproken | zou hebben aangesproken | zouden hebben aangesproken | zouden hebben aangesproken | zouden hebben aangesproken |
| Imperatief | - | spreek aan | - | - | spreekt aan | - |
